Skip to content

Marcel Proust 7 – De tijd hervonden – 1927

De tijd hervonden is het 7de en laatste deel van Op zoek naar de verloren tijd van Marcel Proust (1871-1922). Nederland heeft 70 jaar op de vertaling moeten wachten en kreeg toen nog maar een half boek. Pas 2 jaar later in 1997 had vertaalster Therese Cornips haar klus geklaard. Ze kon er niet genoeg van krijgen en ging meteen door met de eerste delen die door anderen al waren vertaald. Ik kocht de twee laatste delen tegelijkertijd in 1998 en heb 20 jaar op betere leestijden gewacht. Een verzamelaar wil compleet zijn en voor de mooie omslag ontwerpen van Wout Muller geldt dat zeker. Een van de redenen van het lange wachten met lezen waren de grote tussenpozen waarin de Nederlandse delen door de Bezige Bij zijn uitgegeven. In de 27 jaar tussen de verschijning van het eerste deel uit 1972 en het laatste deel uit 1999 ben je een compleet andere lezer geworden en is veel van het voorafgaande vergeten. Het opsplitsen in kleinere delen heeft ook zijn voordelen gehad. Ik kreeg daardoor de tekst in 16 hapklare brokken aangereikt en heb nooit de verlammende werking van de totale roman ondergaan. Pas na afloop kwam ik ertoe om de verrassende pagina-som te maken:

(198+243+57)+(230+198+165)+(315+294)+(180+197+154)+(184+240)+294+(203+172)= 499+593+609+531+424+294+375 = 3325 pagina’s.

Met mijn huidige Proust kennis over zijn lange weerbarstige zinnen zou ik niet de moed hebben verzameld om aan de 3325 pagina’s te beginnen. Rekenkundig is het leesproces nog wel te overzien. Met mijn tempo van 20 pagina’s per uur zou ik in 170 uur of 4 werkweken het einde halen. Voor een professioneel lezer is dat goed te doen. Een werkende huisvader met een beschikbaar leesbudget van gemiddeld 1 uur per dag komt al snel uit op een half jaar. Ik heb het nooit kunnen uitproberen want het verzameld werk was bij mij niet voorhanden. Op zoek naar de verloren tijd is met voorsprong mijn grootste roman ooit en twee keer zo dik als Oorlog en Vrede. Met 35 regels per pagina van gemiddeld 11 woorden komt het totaal uit op 1.280.125 woorden.

Om te controleren of Proust nog steeds mijn beste schrijver ooit is nam ik me 7 jaar geleden voor om jaarlijks één deel te herlezen. Tijdens het lezen van een volgend deel bewerkte ik steeds mijn aantekeningen van het voorgaande deel tot een blog. Die samenvattende stap zorgde voor de continuïteit en is een van de redenen waarom ik nu wel het einde haal en met 2 blogs vlak na elkaar eindig.

Marcel is in Méséglise (Normandië) op bezoek bij Gilberte. Hij wandelt met haar de rondjes (de kant van Swann en de kant van Guermantes) uit zijn jeugd en praat over het vermeende overspel van haar echtgenoot Robert de Saint-Loup. Hij is in geaardheid zijn homofiele oom Charlus achterna gegaan en heeft een verhouding met de violist Charlie Morel. Op zijn kamer leest Marcel in een dagboek van de Goncourt een passage waarin deze zijn bezoek aan de salon van Mme Verdurin beschrijft. Het is voor Marcel een terugblik op zijn kringetje van vroeger maar nu ligt het accent op de culturele rijkdom van de salon, het exquise eten en de eruditie van de gasten. De saaie mensen uit zijn herinnering blijken opeens veel meer om het lijf te hebben en hij beklaagt zich dat hij toen niet kon zien wat er werkelijk plaatsvond.
Marcel vertrekt voor 2 jaar naar een verpleeghuis voor zijn astma en keert in 1916 terug in Parijs dat onder invloed van de oorlog is. Mme Bontemps en Mme Verdurin zijn de nieuwe leading ladies en hebben hun salons en kleding vereenvoudigd om met de frontsoldaten mee te leven. Hij bezoekt Mme Verdurin en ontmoet daar Andrée die ondertussen getrouwd is. Ook Gilberte en Saint-Loup zijn aanwezig en hij ziet voor het eerst de Saint-Loup kant van de Guermantes familie. Saint-Loup is te goed opgevoed om te verklaren dat hij moeite doet om zijn deel aan de oorlog bij te dragen. Marcel begrijpt dat homoseksuelen worden aangetrokken door de mannenwereld van het leger waarin heldhaftigheid bepalend is. Als om 21:30 de straatverlichting uitgaat beschrijft hij een nachtelijke luchtgevecht boven Parijs als een Wagner opera waarin het luchtalarm de Walkure roep slaakt en de vliegtuigen de Walküren spelen.
Marcel ontmoet op straat Baron de Charlus en ontdekt dat deze zichzelf door zijn eigengereide gedrag steeds verder buiten de maatschappij plaatst. Vanwege zijn Beierse voorouders wordt hij zelfs verdacht van Duitse sympathieën. In een pagina lange monoloog hoort hij zijn oorlogs fantasieën aan en mengt die met zijn eigen associaties over Mme Verdurin en columnist Brichot die uit haar gratie is geraakt. Als ze afscheid nemen merkt Marcel dat hij te ver van het centrum is om nog naar huis te lopen. Hij wil eerst uitrusten en vindt een afgelegen hotel dat een bordeel blijkt te zijn. Hij huurt een kamer, gaat op onderzoek uit en vindt Charlus vastgebonden op bed in een SM scene. Het hotel blijkt door hem gekocht en wordt beheerd door Jupien als een wereld waarin mannen door mannen aan hun gerief geholpen. Charlus klaagt erover dat de pijnigers hun spel niet serieus spelen en ongeloofwaardig zijn. Jupien verbergt Marcel en laat hem ongezien naar huis vertrekken.
Het is Saint-Loup gelukt om aan de strijd mee te doen en hij sneuvelt 2 dagen na zijn terugkeer van het front als hij de aftocht van zijn manschappen dekking geeft. Marcel is geschokt dat juist zijn beleefde vriend, die de Duitsers niet eens haat, gedood wordt.
Hij wordt opnieuw voor een paar jaar opgenomen in een kliniek alvorens hij weer terugkeert in Parijs. Sterk twijfelend aan zijn schrijverschap zoek hij vertier op een matinee van de Prins van Guermantes. Ze wonen in een nieuw paleis en hebben voor Marcel daarmee hun distinctie verloren. Voor de deur ontmoet hij opnieuw Charlus die een paar beroertes heeft gehad en grijs is geworden. Zijn tijdelijke blindheid is gelukkig verdwenen en hij leeft nog steeds alleen maar voor zijn seksuele pleziertjes.
Deel 1 eindigt met een laatste zin die een ware cliffhanger is:
Soms komt op het moment dat alles ons verloren lijkt een vingerwijzing die ons redden kan; je hebt aan alle deuren geklopt die loos zijn, de enige waar je door naar binnen kunt en waar je eeuwig tevergeefs zoeken zou, daar stoot je op zonder het te weten, en hij gaat open.
Marcel struikelt bij het binnengaan van het Guermantes hotel over 2 ongelijke straatklinkers en krijgt een ‘Madeleine’ ervaring waarbij hij in gedachten terugkeert naar de St. Marco kerk in Venetië. Zijn moedeloosheid omtrent zijn schrijverschap verdwijnt en hij wil de herinnering tot de bodem uitzieken. De misstap brengt een kettingreactie aan associatieve ervaringen op gang. Als de ober een mes op een bord laat vallen hoort Marcel daarin de hamer van de machinist die in Normandië tegen een treinwiel sloeg. Het snerpende geluid van de waterleiding verandert in een plezierboot die voor het panoramavenster van het strandhotel in Balbec toeterde. Zijn verleden dringt zich eigengereid aan hem op en toont de essentie van zijn belevingswereld. Marcel wil dit inwendige boek ontcijferen en duidt in ellenlange zinnen op soms ondoorgrondelijke pagina’s de ware kunst van het roman schrijven. Juist de normale dagelijkse voorvallen zijn de beste voedingsbodem voor grote inzichtgevende kunst die de ervaringswereld vergroot.
Als de matinee voorstelling is afgelopen betreedt Marcel de salon van de Guermantes en denkt dat er een gekostumeerd bal gaande is waar iedereen zich als bejaarde heeft verkleed. Hij is een tijd weggeweest en realiseert zich dat niet alleen de gasten ouder zijn geworden maar ook hijzelf. Bijna iedereen uit de Verloren Tijd cyclus is aanwezig of wordt besproken. Jonge nieuwkomers willen kennis maken met Marcel en behandelen hem als een oude arrivé. Ze zijn slecht op de hoogte van de vroegere relaties en maken verkeerde gevolgtrekkingen. Mme Verdurin is nadat haar rijke man is overleden hertrouwd met de Prins de Guermantes die weduwnaar was geworden en haar geld goed kon gebruiken. De hertogin de Guermantes blijft een bekorende verschijning maar haar esprit is van een verloren tijd. Haar intieme cirkel is verdwenen en haar status is aangetast door haar interesse in nieuwe kunst. Haar protegé Rachel, de vroegere maîtresse van Saint-Loup, declameert gedichten en is als actrice nu populairder dan de ouderwetse Berma. De hertog de Guermantes heeft een affaire met Odette de Forcheville die daarin haar vroegere maîtresse rol op zich neemt uit de tijd van Swann. Marcel krijgt in gesprekken met Gilberte, Odette en de hertogin de Guermantes nieuwe inkijkjes in het verleden. Hij hoort bijvoorbeeld dat Saint-Loup als vlucht voor het overspel van Gilberte de oorlog zocht en sneuvelde. Als Marcel wordt voorgesteld aan de dochter van Gilberte en de overleden Saint-Loup vloeien alle verledens in elkaar en worden de kanten van Swann en Guermantes samengevoegd.

Marcel verlaat het matinee en maakt zich op weg naar huis zorgen of hem de tijd is gegund om zijn oeuvre te schrijven. Het zal dik als 1001 nacht worden en voornamelijk ’s nachts geschreven. Het wordt een gevecht met zijn zieke lichaam en falende geheugen. Ook realiseert hij zich dat hij juist vanwege deze handicaps nu tot schrijven komt. Hij eindigt zijn verhaal met de herinnering aan het begin van het verhaal toen hij als kind in bed op zijn kamer in Combray wachtte tot zijn ouders Swann uitgeleide deden en zijn moeder voor een nachtkus naar boven zou komen. Hij kan het belletje van het tuinhekje nog horen en constateert dat zijn hele leven in zijn lichaam is opgeslagen. Hij draagt de tijd in zich alsof hij op een berg van tijd staat.

Op 2 februari 2018 lees ik om 8:15 de laatste zin en ben voldaan dat de klus geklaard is. Het lijkt wel of ik voor mijn literatuur examen ben geslaagd en een meerjarenproject heb afgerond van mijn denkbeeldige bucketlist. Het herlezen was een genoegen maar voelde ook als verplichting tegenover mijn beste schrijver ooit. De schrijver die mijn wereldvisie het meest heeft bepaald. Omdat hij al in mijn vormende jaren langskwam is het moeilijk te bepalen hoe groot zijn invloed is. Je weet niet wie je zonder hem zou zijn geworden. Hij toonde me dat de buitenwereld binnen is en niet buiten. Zelfs mijn ogenschijnlijk zo naar buiten gekeerde fotografie is het vastleggen van een interne toestand. Iedere ervaring wordt beïnvloed door de tijd en maakt daardoor een kloppend wereldbeeld tot een illusie. Niets blijft hetzelfde en alles zal slechts kortstondig geduid kunnen worden. Zoals zijn onnavolgbare lange en ingewikkelde zinnen die bij iedere lezing anders uitpakken. Je kunt ieder boek willekeurig open slaan en direct op de taalstroom inpluggen. Iedere zin dwingt tot actief lezen waarbij de concentratie automatisch wordt verhoogd en alle vermoeidheid verdwijnt. Juist in chaotische tijden kan het meditatief werken om je aan zijn therapeutische zinnen over te geven. Zonder Proust was ik heel wat genoegens misgelopen.

Er rest nog één andere leesverplichting. De Man zonder eigenschappen van Robert Musil en dit werk zal eenzelfde behandeling krijgen. Ik zie er nu al naar uit om ieder jaar een van de 4 delen te gaan lezen.

De uiterlijke, reproduceerbare charme van mensen ontging mij dan ook doordat ik niet het vermogen bezat erbij stil te staan, zoals een chirurg die onder de gladheid van een vrouwenbuik de inwendige kwaal ziet waar deze door is aangetast. Al ging ik dan uit dineren, ik zag mijn tafelgenoten niet, want als ik naar hen dacht te kijken was ik hen aan het doorlichten. I- 32
Toen Saint-Loup mijn kamer inkwam was ik hem tegemoetgekomen met dat gevoel van schroom, die indruk van bovennatuurlijkheid, die alle verlofgangers je eigenlijk gaven, zoals je dat ervaart wanneer je tot iemand wordt toegelaten die aan een dodelijke ziekte lijdt, en die toch opstaat, zich aankleedt, nog rondwandelt. I – 76
En zij kwamen dan ook uit niet alleen uit gebieden vandaan die ons onwezenlijk leken doordat wij er uitsluitend via de kranten van hadden gehoord en wij ons niet konden voorstellen dat je aan zulke titanische gevechten had deelgenomen en er maar met een blauwe plek op je schouder uit terugkeerde; het waren de oevers des doods – waar zij weer heen zouden gaan – vanwaar zij een ogenblik in ons midden kwamen, onbevattelijk voor ons, ons met tederheid, schrik en een gevoel van mysterie vervullend, zoals die doden die wij oproepen, die even aan ons verschijnen, wie wij niets durven vragen en die ons trouwens hooguit ten antwoord zouden geven: “Jullie kunt het je niet indenken.” I-77
Men vond hem ‘van voor de oorlog’, ouderwets, want juist diegene die het minst in staat zijn over merites te oordelen zijn degenen die zich om ze te klasseren het meest naar de ordening van de mode richten. I- 88
Hij had de gewoonte gekregen heel hard te schreeuwen als hij sprak, uit nervositeit, uit behoefte aan een uitlaatklep voor indrukken die hij – nooit enige kunst beoefend hebbend – kwijt moest, zoals een vliegenier zijn bommen, al was het midden op het veld, daar waar zijn woorden niemand bereikten, en vooral in de society waar ze eveneens lukraak terechtkwamen, en waar hij uit snobisme, vol vertrouwen, en, kan men zeggen, zo tiranniseerde hij zijn toehoorders, onder dwang en zelfs uit vrees werd aangehoord. I- 125
…….dacht ik weer bij mezelf, merkend hoe de rappe schietspoelen der jaren draden weven tussen herinneringen van ons die aanvankelijk het meest op zichzelf leken te staan, …….. I- 179
Het enige ietwat naargeestige in die kamer van Eulalie was dat je er ’s avonds, vanwege de nabijheid van het viaduct, de jammerkreten van de treinen hoorde. II-22
En zo zit het verleden boordevol negatieven die nutteloos blijven omdat het verstand ze niet heeft ‘ontwikkeld’. II-39
Door de kunst alleen kunnen wij uit onszelf treden, weten wat een ander ziet van dit universum dat niet hetzelfde is als het onze en waarvan de landschappen ons even onbekend zouden zijn gebleven als die wellicht er op de maan zijn. II-39
; en pas later begreep je dat hun die loden schoenen waren aangedaan door de ouderdom. II-81
Zoals bij sneeuw, overigens, leek over het algemeen de graad van witheid een teken voor de diepte van de geleefde tijd, zoals bergtoppen, voor het oog schijnbaar op één lijn met de nadere, toch het niveau van hun hoogte aantonen aan de graad van hun sneeuwwit. II-90
Nu bij de vrouwen de trekken waarin ze zo niet hun jeugd, dan toch hun schoonheid gegrift stond verdwenen waren, hadden zij uitgezocht of er, met wat hun restte, niet een ander gezicht te fabriceren viel. Het middelpunt van hun gezicht, zo niet het zwaartepunt, dan toch het punt van het perspectief verplaatsend, waaromheen zijde trekken naar een ander karakter samenstelden, begonnen zij op hun vijftigste aan een nieuw soort schoonheid, zoals men op latere leeftijd een nieuw beroep neemt, of zoals men grond die niet meer voor wijnbouw deugt, bieten laat opbrengen. II-91
Zij zag eruit als een gesteriliseerde roos. Ik zei haar goedendag, zij zocht een poosje op mijn gezicht naar mijn naam, zoals een leerling op dat van zijn examinator naar een antwoord dat hij gemakkelijker in zijn hoofd zou hebben gevonden. II-99
Hij was een ruïne geworden, maar dan schitterend, en minder nog dan een ruïne, dat mooie romantische iets dat een rots in de storm kan zijn. Van alle kanten gegeseld door golven van pijn, van woede om pijn te lijden, van een opkomend voorstoten van de dood waar het door belaagd werd, behield zijn gezicht, verbrokkeld als een blok, de stijl, de geposeerdheid die ik altijd had bewonderd; het was aangetast als een van die mooie, te zeer beschadigde antieke koppen waar wij toch maar al te graag een werkkamer mee opluisteren. II-176
En net als die vreemde, unieke afglans als die de rotsen, tot dan toe anders van kleur, alleen krijgen bij het naderen van de storm waarin alles ten onder zal gaan, waren, zo besefte ik, het loodgrijs van de steile, gesleten wangen, met haar witte, omkrullende grijs van de uitstaande lokken, het zwakke schijnsel dat de ogen die nauwelijks zien konden nog was toebedeeld, geen irreële, juist reële tinten, maar van een fantastisch soort, ontleend aan het palet, de lichtval, onnavolgbaar in zijn schrikwekkende, profetische donkerheid, van de ouderdom, van de nabijheid van de dood. II-176
….want die schrijver, ….. , zou zijn minutieus , met voortdurende hergroeperingen van krachten, als een offensief moeten voorbereiden, het moeten verdragen als een vermoeidheid, aanvaarden als een regel, opbouwen als een kerk, volgen als een dieet, overwinnen als een obstakel, veroveren als een vriendschap, overvoeden als een kind, creëren als een wereld zonder voorbij te gaan aan die mysteries waarvan de verklaring waarschijnlijk in andere werelden ligt en waar wij dat vage besef van hebben dat ons in het leven en in de kunst het meest beroert. II-193
….en het zou zelfs onjuist zijn te zeggen dat ik dacht aan degenen die het lezen zouden, aan mijn lezers. Want zij zouden volgens mij niet mijn lezers zijn, maar lezers van zichzelf, mijn boek maar een soort van die vergrotende brilleglazen zijnde zoals die de opticien van Combray een koper voorhield; mijn boek, waar ik hun een middel mee zou verschaffen om in zichzelf te lezen. II-194
Ik wist heel goed dat mijn brein een rijk ertsbekken was, waar zich een immense en veelsoortige laag kostbare afzettingen bevond. Maar zou ik de tijd krijgen die te exploiteren? II-198
……, dan zou ik tenminste niet verzuimen er de mens in te beschrijven als een wezen in lengte, niet van zijn lichaam maar van zijn jaren, die hij, een steeds kolossalere taak waar hij het ten slotte tegen aflegt, met zich mee moet slepen wanneer hij zich verplaatst. II-208
 zie ook:
 https://erikgveld.wordpress.com/2018/01/22/marcel-proust-6-de-voortvluchtige-1925/
Advertenties

Ibanez Artcore AFS75T Cherry Red

 

Een goed alternatief voor een gitaarleraar is het regelmatig veranderen van gitaar. Ik ontdekte dit vorig jaar met de komst van de Telecaster. Zijn geluid gaf mijn oude Godin GLX onverwacht een nieuw leven en ik hoop nu op vervolg met de Ibanez Artcore. Je moet zo’n nieuwe gitaar natuurlijk wel eerst verdienen en ik heb een klein jaar gewacht om mijn speeluren te maken. Nu als start van 2018 is het een mooi moment om de gitaarcollectie uit te breiden. Iedere toevoeging blijkt een verruiming van de algehele  luisterervaring. Na de Godin met zijn stevige humbucker elementen en de dunne single coils van de Telecaster is de hollowbody/archtop gitaar de volgende variant van de luisterervaring. Maandenlang was de Gretch Streamliner favoriet tot hij vlak voor de finish werd gepasseerd door de Ibanez Artcore. De Gretch reputatie is te beladen voor mijn gitaarspel en het merk Ibanez past beter bij mijn bescheiden spelplezier. De Epiphone Casino was nog een alternatief maar is met zijn sunburnt uiterlijk niet zo mooi Cherry Red en zijn bespelers (de Gallagher Bros van Oasis, Paul McCartney, Paul Weller) geven mij de verkeerde associaties.

Elektrische gitaren koop je op gevoel want het geluid kan met mijn Boss ME 30 multiple effects processor alle kanten op worden gestuurd. De bespeelbaarheid is van belang en het geringe gewicht van de hollowbodies maakt daar deel van uit. Ze worden naar hun gebogen bovenblad ook wel ‘archtops’ genoemd en waren in de jaren 1930 de eerste elektrische gitaren. Die versterking was nodig omdat een akoestische gitaar niet meer boven het orkest geluid uit kon komen. De eerste elektrische gitaar werd afgeleid van de akoestische gitaar en had een volledige holle klankkast. Het element werd dus op het bovenblad gemonteerd met als nadeel dat bij grote orkestvolumes het bovenblad meetrilde en feedback veroorzaakte. De semi hollowbodies losten dit probleem op door de hals in de kast door te laten lopen en daarop de kam en elementen te monteren. Die grote volumes zullen bij mij alleen al vanwege de overlast voor de buren niet optreden. Ik kies dus resoluut vanwege het ultieme gitaarprincipe voor full hollow. Vanwege het speelcomfort is thinline mijn enige concessie doordat de klankkast een inch dunner dan normaal is.

Het merk Ibanez klinkt erg Spaans maar komt uit Japan. De Firma Hoshino begon in 1929 met het importeren van akoestische Spaanse gitaren van Salvador Ibáñez e Hijos. Toen dit merk vanwege een overname uit de markt werd gehaald besloot men in 1935 de productie over te nemen en de naam Ibanez te behouden. In de jaren 1970 breidde men uit naar de elektrische gitaren door kopieën van de Fender Stratocaster en Gibson Les Paul te maken. Deze gitaren werden vanwege hun kwaliteit concurrent van hun oorspronkelijke voorbeelden en al snel wegens copyright schending verboden. Opnieuw moest het roer om en besloot men zelf elektrische gitaren te gaan ontwerpen. Met de focus op de ruige muziek ontstond een samenwerking met supergitaristen als Steve Vai, Joe Satriani en John Petrucci. Vai kreeg zijn eigen Jem serie (zie boven de lichtblauw/witte gitaar) die voor korte tijd werd uitgebreid met een 7de snaar in het lage toonsegment. Uit deze Jem serie ontstond vervolgens de standaard Ibanez RG gitaar die in de jaren 1990 met de komst van de metalbands Korn en Limp Bizkit een succes werd. De naam Ibanez wordt daardoor vooral geassocieerd met een moderne gitaar voor de hardere muzieksoorten.
In 2002 is er opnieuw plek voor uitbreiding en wordt met de Artcore serie het elektrisch/akoestische segment aangepakt. Vergeleken met Gretch en Gibson zijn het betaalbare instapgitaren die bekend worden door hun schone warme klank en goede prijs/kwaliteit verhouding. Ibanez pakt het groots aan want de Artcore serie bestaat uit 34 modellen. Het merendeel is Semi Acoustic met de anti-feedback balk. Na enig puzzelwerk blijkt dat de AFS code staat voor de Acoustic Full hollowbody en de S voor het type thinline (small, slim?). Als er maar één Ibanez thinline te koop is wordt mijn keus eenvoudig en is de Cherry Red kleur eigenlijk best wel mooi.
Teveel voorpret is gevaarlijk maar het bespelen blijkt een nog groter genoegen. De barré akkoorden pakken lichter en de arpeggio’s tokkelen natuurlijk tevoorschijn. De klank stroomt van hoog tot laag bijna tastbaar uit mijn Crate versterker. Het wonder geschiedt en mijn gehoor breidt zich opnieuw uit en ik vraag me af met welke nieuwe schatten mijn andere gitaren zullen verrassen. Opvallend is dat de Ibanez zó goed klinkt dat hij me doet terugkeren naar een natuurlijke gitaarklank. Opvallend is ook dat de klankduur (sustain) meevalt en zeker niet onder doet voor mijn massieve gitaren. Het tactiele genoegen is zo groot dat ik er niet vanaf kan blijven en meerdere keren per dag een stukje speel. De thinline kast ligt comfortabel onder mijn arm en de plectrumhand vindt perfect steun op de slagplaat. Deze gitaar geeft een impuls aan mijn spel en stimuleert meer dan een gitaarleraar. Ook omdat ik aan het verleden nog voldoende lesboeken heb overgehouden. Met de komst van de Telecaster heb ik die opgeborgen en ben vrij gaan spelen om met de verplaatsbare toonladders de hele hals te verkennen. Zoals bij het schilderen van een abstract schilderij strooi ik met noten en akkoorden en vind langzaam mijn weg in de wondere wereld van klanken en vingerschema’s. Als mijn creativiteit stokt pak ik er een willekeurige bluessolo bij om uit mijn box te komen. Nu met de Ibanez keer ik terug naar de muziekboekje en ga nogmaals proberen om de hammerons, de pulloffs, de slides en bends in mijn notenseries te integreren. Misschien gaan ze dit keer bij de Ibanez wel lukken?

Tot slot toch nog even een guilty pleasure van de bekendste Ibanez speler; Steve Vai begon bij Frank Zappa maar ging al snel zijn eigen weg. For the love of god is een monument voor de elektrische Ibanez gitaarklank.

Mijn blog over de Telecaster:

https://erikgveld.wordpress.com/2017/02/15/fender-telecaster-1950/

Marcel Proust 6 – De voortvluchtige – 1925

Voornemens kunnen helpen om een drempel te nemen. Om iets te gaan doen wat even niet mogelijk lijkt, zoals het hooggebergte van de literatuur te beklimmen als je hoofd er niet naar staat. Marcel Proust is altijd mijn beste schrijver ooit geweest maar is hij dat nog steeds? Je komt er achter door jaarlijks één deel van Op zoek naar de verloren tijd te lezen.  In een periode dat het lezen door te veel geaborteerde boeken niet wil vlotten blijkt Proust zomaar het juiste medicijn. Door de buitengewone concentratie die nodig is om zijn zinnen te volgen komt de aandacht en het leesplezier weer terug. Om in Proust termen te spreken: Blijkbaar verbrandt die vurige aandacht de lethargie van mijn gemakzucht. Ik begin voorzichtig en zonder veel verwachting en lees de eerste dag meteen 25 pagina’s. Ik heb De Voortvluchtige in 1999 gekocht en weet niet meer wanneer de bladwijzer halverwege bleef zitten. De kans is groot dat het de plek is waar ik toen definitief met de serie ben gestopt. Mijn hoofd toen kon het voortdurende gemijmer over Albertine niet verdragen. Aan de kwaliteit van schrijver en vertaalster Therese Cornips wil ik niet twijfelen dus het was voor mij gewoon het verkeerde boek voor die tijd. Nu heb ik recent de voorgaande delen gelezen en ben beter tegen bestand tegen zijn associatiegolven. De ene zin lukt beter dan de ander maar dat is inherent aan zijn stijl. De lusten wegen ruimschoots tegen de lasten op. Als ik op pagina 151 ontdek dat er een hoofdstuk 2 begint over Mademoiselle de Forcheville krijg ik helemaal goede moed. Zou Marcel dan eindelijk zijn Albertine vergeten en een nieuwe liefde opstarten? Opbouwen heeft me altijd beter gelegen dan afbreken.

Als de huishoudster Françoise ’s ochtends meldt dat Albertine is vertrokken voelt Marcel meteen de smart van zijn liefdesverdriet opkomen. Hij wilde gisteren nog een eind aan hun relatie maken maar doet er nu alles aan haar terug te krijgen. Om de directe pijn te verzachten overtuigt hij zichzelf dat ze vanavond wel terug zal zijn en stuurt hij tegelijkertijd een brief waarin hij beaamt dat hun liefde voorbij is. Hij vraagt aan Robert Saint-Loup om met Fr. 30.000 als gift voor de kiesvereniging naar het huis van Albertines tante te gaan. Om de tijd te doden neemt Marcel een jong meisje mee naar huis en wiegt haar op zijn schoot tot hij haar met FR. 500 weer wegstuurt. De politie krijgt een klacht van de ouders en roept hem ter verantwoording. Marcel wordt in de gaten gehouden en vreest dat als Albertine terugkomt ook zij als een verdachte handeling zal worden beschouwd. De dagen verstrijken traag en Marcel knoopt alles aan Albertine vast en merkt dat Françoise wel gelukkig is met Albertines vertrek. Hij schrijft Albertine dat hij vlak voor haar vertrek een Rolls Royce en een jacht voor haar heeft besteld. Het helpt niet en hij wenst haar zelfs dood zodat zijn liefdesverdriet zal stoppen. Hij krijgt zijn zin als een brief van de tante van Albertine meldt dat zij bij een paardrijd ongeval is overleden. Marcels pijn stopt echter niet en wordt juist heviger omdat hij nu niet meer met gedachte van haar terugkeer kan spelen. In zijn herinnering blijkt een dode Albertine beter stand te houden dan een levende. Hij stuurt hotelklerk Aimé naar Balbec om daar Albertines lesbische geaardheid te onderzoeken. Deze hoort van de badvrouw dat zij vaak in het badhuis verschillende meisjes in de kleedcabine heeft ontmoet. Omdat zij een roddeltype is stuurt hij Aimé naar Touraine waar Albertine na haar vertrek bij haar tante ging wonen. Ook daar blijkt ze al snel lesbische contacten te hebben gehad. Door die nieuwe informatie moet Marcel erkennen dat de Albertine waar hij van hield zichzelf maar voor een deel aan hem gaf. De vrouwelijke concurrentie is vanwege de onbekendheid van het genot nog pijnlijker te verdragen dan in geval van een mannelijke rivaal. Hij zou Albertine nooit hebben kunnen geven wat ze bij een vrouw zocht.

Als jeugdvriendin Andrée op visite komt vraagt Marcel onbevangen naar haar seksuele geaardheid. Zij is lesbienne maar ontkent als beste vriendin van Albertine ooit een relatie met haar te hebben gehad. Marcel is weer een beetje gerustgesteld maar houdt er ook rekening mee dat zij de nagedachtenis van Albertine wil  beschermen. Hij gaat vrouwen ontmoeten die op Albertine lijken of de donkerharige types waar zij op gevallen zou zijn. Langzaam slijt de herinnering en het verlangen naar Albertine.  Bij thuiskomst ziet hij 3 vriendinnen het huis van de Guermantes verlaten. De blonde vrouw kijkt 2 keer geïnteresseerd naar hem om en de conciërge vertelt dat zij Mme de Forcheville heet. Zij is familie van de hertogin de Guermantes en hij denkt dat Saint-Loupe een verhouding met haar heeft gehad. Hij telegrafeert hem maar verneemt dat het een zwartharige Forgeville was. Zijn moeder brengt glunderend de Figaro ochtendkrant waarin zijn artikel is gepubliceerd. Hij probeert het als lezer te lezen en verheugt zich over de 10.000 meelezers. Met de krant op zak gaat hij naar De Guermantes en ontmoet daar Mme de Forcheville. Zij blijkt Gilberte Swann te zijn die een erfenis heeft gehad. Om haar joodse afkomst te verbergen heeft ze de naam van de tweede man van haar moeder Odette aangenomen. Heel vreemd dat Marcel zijn eerste liefde Gilberte niet meteen herkend heeft. Steeds meer verdwijnt zijn liefde voor Albertine naar de achtergrond en tegelijkertijd lijdt hij eronder dat die liefde verdwenen is. Tot hij verandert in een ander ik en hij het leed van de vorige ik als van een vreemde observeert. In een tweede gesprek met Andrée erkent zij een relatie met Albertine te hebben gehad en dat zij zelfs op haar kamer in Marcel’s ouderlijk huis kwam. Hij verneemt dat Albertine samen met de violist Charlie Morel voor hun erotische plezier jongelingen uit het volk ronselde. Ook hoort hij dat toen Albertine met hem naar de Verdurin soiree ging zij dat deed om daar haar toekomstige verloofde te ontmoeten. Er bestond dus helemaal geen lesbische relatie  met de dochter van Vinteuil. Zij verliet Marcel abrupt om haar huwelijk veilig te stellen door niet bij een andere man in te wonen.

Eindelijk is Marcel voldoende vrij om met zijn moeder naar Venetië te gaan. Hij trekt er alleen op uit en verlustigt zich vanuit zijn gondel aan de 16-jarige Italiaanse volksmeisjes. Als ze met Mme Sazerat in een ander hotel gaan eten ontdekt hij een verouderde  markiezin de Villeparis die met haar relatie de diplomaat markies de Norpois dineert. Hij overhoort hun politieke gesprek met een Italiaanse prins Foggi. Net zo onverwacht als het bericht van Albertines dood krijgt hij nu in het hotel een telegram van haar aangereikt. Zij is nog in leven en wil met hem over een huwelijk spreken. De brief met haar overlijdensbericht was dus een middel van haar tante om haar breuk met Marcel te forceren.  Maar Marcel bemerkt dat hij niet meer van haar houdt en een ander persoon is geworden. Hij kan ook niet meer van haar houden en keert liever met een 17-jarige Venetiaans meisje terug naar Parijs dan dat hij met de pofferige Albertine trouwt. Als de koffers al naar het station zijn gebracht voor de thuisreis ontdekt hij dat Barones Putbus ook ik het hotel logeert. Hij herinnert zich haar gewillige kamermeisje en weigert te vertrekken. Zijn moeder gaat wel en na veel dwarse twijfels is hij vlak voor de trein vertrekt toch ook op het station. Op weg naar Parijs leest hij in een brief dat Gilberte Swann met Saint Loup gaat trouwen. Het huwelijk toont de teloorgang van de aristocratie. Het is kenmerkend dat een Guermantes als Saint-Loup voor het geld moet trouwen met de dochter van een cocotte (Odette) en een jood (Swann).  Gilberte neemt in haar nieuwe milieu geen blad voor de mond en Saint-Loupe moet afzien van grote soirees en kan alleen nog maar rustige avondjes met een paar kennissen organiseren. Het stel gaat wonen in het kasteel Tansonville bij Combray aan de kant van Swann. Als Marcel ze voor een paar dagen bezoekt moet hij zijn Italiaanse vriendin als de volgende gevangene thuis laten bewaken. Hij gaat om Gilberte te ondersteunen die relatie problemen heeft omdat Saint Loup ontrouw is en en zelfs homofiel blijkt te zijn. Hij is bij een bezoek aan zijn oom Charlus door Charlie Morel verleidt. Marcel loopt met Gilberte dezelfde Combray wandelingen van vroeger. Zij vertelt hem dat toen hij haar toen van afstand in de tuin zag zitten zij er naar verlangde om een afspraak met hem te maken. Ze hielden dus beiden van elkaar zonder het van elkaar te weten.

Ik ben toch wel weer onder de indruk van Marcel Proust. Het is een bijzondere ervaring geweest en ik zie bijna uit naar het slotboek van de serie. Proust lezen is als het luisteren naar de 5de symphonie van Beethoven of het kijken naar Citizen Kane van Orson Welles. Je kunt het niet meer zonder vooroordeel benaderen vanwege de monumentale status. Bij Proust komt daarbij een levenslange affiniteit die je kost wat het kost het eind wil doen halen. Zijn beeldspraken blijven onovertroffen. De grote lijn van het verhaal is soms te schokkerig om doordacht te zijn. Hij springt regelmatig lukraak van scene naar gedachte. Je ziet hem dan bijna een strookje met tussenzin in zijn manuscript plakken. Vanwege zijn slechte gezondheid stond het schrijfproces onder druk en om het einde te halen kon hij niet te veel redigeren.

De ontknopingszinnen blijven het hoogtepunt en de beste manier om Proust te hervinden:

Laat ons de knappe vrouwen overlaten aan fantasieloze mannen.      27

Er zijn momenten in het leven waarop er een soort schoonheid uitgaat van de veelheid van zorgen die ons bestoken, elkaar kruisend als Wagneriaanse motieven, van het bovenkomend besef ook dat gebeurtenissen niet gesitueerd zijn binnen het geheel van weerschijnsels afgetekend in het armzalige spiegeltje dat het verstand voor zich uit draagt en toekomst noemt, dat ze erbuiten liggen en zich even onverhoeds aandienen als iemand die je op heterdaad komt betrappen.     30/31

Hoe dichter het verlangen opdringt, hoe verder terug wijkt het werkelijke bezitten. Zodat, indien het geluk of althans de ontstentenis van leed te vinden is, men niet de bevrediging maar de geleidelijke vermindering, het uiteindelijke afsterven van het verlangen moet nastreven.     37

….., hetzij dat het brein in zijn gemakzucht ertoe gedreven wordt liever langs het gerieflijk hellend vlak van de verbeelding te glijden dan de steilte van de introspectie te beklimmen.      54/55

Soms stuitte ik in de donkere straten van de slaap op een van die boze dromen die …….81

Want, ook al zijn onze herinneringen dan van ons, ze zijn het op de manier van die landgoederen die verborgen poortjes hebben waar wijzelf niet vaak van weten en die niemand uit de buurt voor ons openmaakt, zodat wij van een kant althans waar het ons niet eerder was gebeurd blijken thuis te komen.    84

Kort na de schok meldde het brein, dat, zoals het geluid van de donder, minder snel is, mij de oorzaak ervan.        134

Een tip oplichtend van de zware sluier der gewenning (de geestdodende gewenning die gedurende de hele loop van ons leven nagenoeg de hele wereld voor ons verborgen houdt en in een diep donker, onder hun onveranderde etiketten, de meest riskante of bedwelmende vergiften vervangt door iets onnozels dat geen verrukkingen schenkt), kwamen ze in mij op als de dag van gisteren, ……..135

Ons ik bestaat uit de opeenstapeling van onze successieve gemoedstoestanden. Maar die opeenstapeling is niet onveranderlijk zoals de stratificatie van een berg. Voortdurend halen opwaartse bewegingen oude lagen aan de oppervlakte tevoorschijn.        136

Maar op haar gezicht waren de verbazing en de kwaadheid al verdwenen achter het snode, kleverige lachje van verheven meewarigheid en filosofische ironie. Taai vocht dat, om haar wonde te helen, haar gekwetste trots afscheidde. Om zich niet veracht te voelen, verachtte zij ons.  160

Vervolgens bekeek ik het geestelijk brood dat de krant is, nog warm en vochtig van de verse druk en de ochtendnevel waarin hij vanaf het krieken van de dag bij  de dienstboden wordt bezorgd die hem samen met de koffie met melk hun meneer en mevrouw brengen, wonderdadig, vermenigvuldigbaar brood, dat er zowel één is als tienduizend, en voor iedereen hetzelfde blijft terwijl het tegelijk, ontelbaar, in alle huizen binnenkomt.       161

Want de mens is dat wezen zonder vaststaande leeftijd, het wezen dat over het vermogen beschikt in enkele seconden weer vele jaren jonger te worden, en dat, omgeven door de wanden van de tijd waarin hij heeft geleefd, erin ronddobbert als in een bassin waarvan het niveau voortdurend verandert en hem nu eens binnen het bereik van de ene, dan weer van de andere periode brengt.        211

Helaas zijn  morele reflexen niet altijd gelijk aan wat het gezonde verstand zich voorstelt.     173

Mme de Villeparisis bewaarde enkele minuten het stilzwijgen van een oude vrouw die de matheid van de ouderdom moeilijk van het verwijlen in het verleden naar het heden laat overstappen.      229

Voor het voorafgaande zie:

Deel 1: De kant van Swann – 1913

https://erikgveld.wordpress.com/2013/03/04/marcel-proust-1-de-kant-van-swann-1913/

Deel 2: In de schaduw van de bloeiende meisjes – 1918

https://erikgveld.wordpress.com/2014/08/29/marcel-proust-2-in-de-schaduw-van-de-bloeiende-meisjes-1918/

Deel 3: De kant van Guermantes – 1920/21

https://erikgveld.wordpress.com/2015/04/20/marcel-proust-3-de-kant-van-guermantes-192021/

Deel 4: Sodom en Gomorra – 1921/1922

https://erikgveld.wordpress.com/2016/07/08/marcel-proust-4-sodom-en-gomorra-19211922/

Deel 5: De Gevangene

https://erikgveld.wordpress.com/2017/03/28/marcel-proust-5-de-gevangene-1923/

 

Eiji Yoshikawa – Miyamoto Musashi – 1935/1939

De samurai nemen voor de Japanners dezelfde plaats in als in het Westen de revolverhelden of toernooiridders. Het is boystuff vol goeden en slechten dat eindigt in het finale duel wat maar één persoon kan overleven. Miyamoto Musashi (1584-1645) was een van de grootste samurai en zijn reputatie is legendarisch. De films van Ikira Kurasawa (1910-1998) geven een beeld van kromme zwaarden en groot eergevoel. De samuraigeest gaat bij Japanners zo diep dat zelfs ver in de vorige eeuw de schrijver Yukio Mishima (1925-1970) zijn leven als samurai beëindigde met een rituele seppuku (harakiri). De daad om eigenhandig je onderbuik open te snijden zodat de ingewanden naar buiten vallen is ronduit verbijsterend. Enige verdieping kan dus geen  kwaad en als ik ontdek dat Eiji Yoshikawa een geromantiseerd levensverhaal van Musashi heeft geschreven besluit ik tot aankoop. Het is niet meer nieuw te koop maar Bol biedt hem tweedehands aan voor € 25,-. Wonderbaarlijk genoeg vind ik diezelfde middag en vlak voor de voorgenomen aankoop voor € 1 een exemplaar op de jaarlijkse Kruiskerk rommelmarkt. Je gelooft je ogen niet en moet echt wel 3 keer kijken of dit het gezochte boek is. Geen twijfel is mogelijk want zelfs de afbeelding op de omslag komt overeen met de Bol aanbieding. Hij is met zijn 1280 pagina’s vuistdik en een tweede net zo dikke pil van dezelfde schrijver wordt daarom ondanks de € 1, – toch maar niet gekocht.

Nog moeilijker dan de Russische namen zijn de Japanse te onthouden. Als je hem dan uiteindelijk kunt naslaan volgt de volgende drempel van de volgorde van familienaam en voornaam. Heeft de vertaler het al aan de westerse volgorde aangepast of staat de familienaam nog authentiek Japans vooraan? Bij de schrijver Eiji Yosjikawa is aan te nemen dat de voornaam eerst staat. Hij schijnt een bekende Japanse schrijver te zijn maar zijn Nederlandse naam Josjikawa komt niet voor in mijn Literatuur of Britannica Encyclopedie. Het zijn papieren naslagwerken die heel ouderwets nog geen alternatieve opties geven. Maar ook de naam Moesasja is nergens te vinden. Mijn roman is in 1971 uit het Engels vertaald en uitgegeven in de hoogtijdagen van de voorkeurspelling. Met de originele Engelse titel kom ik gelukkig verder. Bij Eiji Yoshikawa (1892-1962) vind ik de nodige informatie. Hij was een correspondent en historische veelschrijver die wel 19 pseudoniemen gebruikte voor hij uitkwam op zijn definitieve schrijversnaam. Hij bewerkte bestaande klassieke verhalen tot feuilletons voor de krant en zijn verzameld werk omvat 80 delen. De bekendste daarvan is Miyamoto Musashi en de roman wordt wel de Japanse Gejaagd door de Wind genoemd. Beide boeken tellen > 1000 pagina’s en zijn bijna in hetzelfde jaar geschreven. Margaret Mitchell (1900-1949) publiceerde haar boek in 1936 en kreeg de Pulitzerprijs van 1937. Het boek is net zo spannend en meeslepend als de magnifieke film Gone with the wind (Victor Fleming 1939) met Vivien Leigh en Glark Gable en won in 1940 8 Oscars. Het verhaal van Yoshikawa werd tussen 1935 en 1939 gepubliceerd als feuilleton. De hoofdstukken zijn dus kort, even lang en eindigen vaak met een cliffhanger. Vanwege de ongecompliceerde structuur en de overzichtelijke hoofdpersonen zou het een beste film zijn en die is dan ook gemaakt. Hiroshy Inagaki heeft het boek in de jaren 1950 tot een trilogie bewerkt met de grote Toshiro Mifune in de hoofdrol.

De roman Miyamoto Musashi wordt vaak ook in een adem genoemd met Shogun (1975) van James Clavell. Beide verhalen schetsen een tijdsbeeld van het Japan rond 1600. Het is het begin van de Edo periode (1603-1868) toen de burgeroorlogen gevochten waren en Edo (=Tokyo) na Kyoto de nieuwe hoofdstad werd. De havens waren gesloten voor buitenlanders en er trad een periode van naar binnen gekeerde vrede aan. Ik zal Shogun niet meer lezen want nog een keer 1200 pagina’s is teveel van het goede. Zelfs Miyamoto Musashi was al teveel van het goede. Mijn roman is uit het Engels vertaald en de literaire kwaliteit van Yoshikawa is moeilijk te achterhalen. Kan Yoshikawa niet tippen aan Mitchell of is heit sprake van ingetogen Japanse eenvoud?

Bij een dik boek is het altijd moeilijk om de juiste personages te volgen. Je wilt niet te veel emotie investeren in iemand die even later sterft of gewoon uit het verhaal verdwijnt. Bij Musashi is het probleem betrekkelijk eenvoudig. De meeste verhaaldragende personages worden in het begin geïntroduceerd en ze blijven de rest van het verhaal netjes om elkaar heen draaien. We volgen tussen 1600 en 1612 het hoofdpersonage Musashi van zijn 18 tot zijn 30-ste levensjaar. Hij besluit zijn leven inhoud te geven en wil als samurai  ‘De Weg van het Zwaard’ volgen. Zijn boezemvriend Matahatji doorloopt een tegengesteld traject van kwaad naar erger. Op de eerste pagina liggen ze gewond op het slagveld na de slag van Sekigahara (1600) waarin het Tokugawa shogunaat zijn macht vestigde. De vrienden vochten aan de verliezende kant en worden verzorgd door de alleenstaande moeder Oku met haar dochter Akemi. Oku verleidt zijn vriend Matahatji, gaat de misdaad in en wordt een vijand van Musashi. Akemi valt voor Musashi maar glijdt in de prostitutie in als ze hem niet krijgt. Otsu is als verloofde van Matahatji in de steek gelaten en wordt verliefd op Musashi. Het is een grote liefde want 12oo pagina’s lang blijft ze op hem wachten en naar hem zoeken. De paar keer dat ze elkaar ontmoeten erkennen ze hun liefde maar gaat de ‘Weg van het Zwaard’ toch voor. Otsu heeft daar begrip voor en schikt zich in haar traditionele vrouwenlot. Ze heeft een keer 917 dagen bij een brug op Musashi gewacht en wordt vervolgens als ze haar spullen ophaalt toch weer in de steek gelaten. De moeder van Matahatji heet Osoegi en zij moet de familie eer redden door Musashi & Otsu te doden. Ze achtervolgt hen van Kyoto tot Tokyo en weer terug en komt pas vlak voor het eind tot inkeer als ze Otsu heeft gedood. Gelukkig blijkt zij schijndood en wordt in het volgende hoofdstuk weer tot leven gewekt. Musashi vindt eerst in Jotaro en later in Iori twee 12 -jarige schildknapen die ook samurai willen worden. De monnik Takoean volgt de ‘Weg van Zen’ en helpt de hoofdpersonages bij het verduidelijken van hun doelstellingen. Hij hangt de jonge weerbarstige Musashi aan een boom om hem tot bezinning te laten komen en sluit hem daarna 3 jaar met boeken op in een kasteelkamer om hem inzicht te geven door studie (de vechtkunst van Soen-tzoe). Steeds als het verhaal vastloopt komt de monnik op de proppen om een beslissende wending te geven. Meerdere keren weet hij met zijn relaties Otsu & Musashi  te redden en de twee bij elkaar te brengen. Dat is nodig want een held is pas een held als hij een tegenstander heeft. Die komt in het lichaam van de arrogante Sasaki Kojiro die zijn superlange odachi-zwaard op zijn rug draagt. Ook hij wint al zijn duels met overmacht en we wachten gespannen op het beslissende duel met Musashi. De confrontatie vindt pas 4 bladzijden voor het eind plaats en Musashi gebruikt een zelf gesneden houten zwaard  tegenover het scherpe staal van Kojiro. Hij vecht dus met het zwaard van de geest en niet met het zwaard van de kracht. Als Kojiro zijn schede voor het gevecht weggooit weet Musashi al dat zo’n daad bij een verliezend strijder hoort. Het duel wordt natuurlijk gewonnen door Musashi. Het was al bekend want anders had hij nooit als 60-jarige zijn levenswijsheid op schrift kunnen stellen. Vreemd genoeg vertrekt hij daarna meteen de natuur in en laat opnieuw Otsu in de kou staan.

1280 Lange pagina’s buitelen de figuren om elkaar heen en door de Japanse geschiedenis. Bovenstaande samenvatting is meer een beknopt geheugensteuntje dan een serieuze samenvatting. Voor de Japanners gebeurt er veel meer dan voor ons buitenstaanders. Tokyo ontstaat uit een moeras van goedkope bouwgrond en de tweestrijd met de oude wereld van Kyoto en Osaka is voelbaar. Een register van persoonsnamen met onderscheid tussen fictieve en historische personages zou een nuttige aanvulling zijn geweest. Nu beperken we ons bijna noodgedwongen tot de onvervulde liefde tussen Musashi en Otsu en de definitieve confrontatie met Kojiro.  Daarnaast leer je natuurlijk meer dan je merkt over de het Japan van de 17-de eeuw. Zoals de hoofdstad switch van Kyoto naar Tokyo niet bedacht is maar ontstaat omdat de nieuwe shogun daar woonde. Ook opvallend is dat door het hele land vechtscholen zijn waar de jongeren met zwaard of lans het vechten wordt geleerd. Men oefent met houten wapens maar ook daarmee kan een slag fataal zijn. Buitenstaanders die ‘De weg van het zwaard’ belopen kunnen de hoofdmeester uitdagen. Maar als ze winnen krijgen ze wel de hele school achter zich aan omdat de eer op het spel staat. Musashi krijgt wijze lessen van een oude monnik die hem vertelt dat zijn kracht een handicap is. Als hij daarop blijft vertrouwen zal hij de 30 niet halen. Na een paar jaar vol uitdagingen is hij het rondtrekken moe en wordt keuterboer om zelf zijn eten te verbouwen. Als zijn akker keer op keer door noodweer wegspoelt leert hij zich ondergeschikt te maken aan de natuur en de wetten van het universum. Hij trekt verder en zijn groeiende reputatie blijkt een bron van politieke machinaties. Als hij vanwege laster wordt afgewezen als leermeester van de shogun trekt hij zich opnieuw terug en weet dat hij ook de ‘Weg van de Pen’ moet doorlopen. Hij zoekt een Zen-meester die hem weinig aandacht geeft en zodoende op zijn plaats zet. Het zwaardvechten blijkt toch vooral een kwestie van psychologie. Geen gedachte mag daarbij in de weg zitten. Zen is de kunst van het leeg zijn en angst voor de dood heeft daar geen plek. Achteromkijken en treuren om het verleden horen niet bij een volwassen strijder. Je moet ieder moment klaar staan om de dood onder ogen te zien en handelen uit algemene eer en waardigheid en niet uit persoonlijke wrok en eigenbelang. Dat geldt nog meer omdat snelheid het voornaamste wapen is. De samurai draagt zijn zwaard met de snede naar voren in zijn schede waardoor het trekken en de slag tot dezelfde beweging horen.  Musashi heeft ook van de terugslag een aanval gemaakt. Maar als hij een trommelaar met 2 stokken één geluid hoort maken ontdekt hij zijn 2-zwaarden techniek. Japanse zwaardtechniek is anders dan onze middeleeuwse ridders met hun eindeloze scherm gevechten en lijkt meer op de explosieve schietduels van de revolverhelden.

Het werk van een samoerai beperkt zich niet tot het slagveld. Het zwaard is zijn ziel. Ermee oefenen is tegelijk je geest verfijnen en in het gareel krijgen. In brede zin is het zwaard de basis voor alle militaire training, welke nadelen het in een gevecht ook mag hebben. Als je je de innerlijke betekenis van de Weg van de Samurai eigen maakt, kan deze discipline ook worden toegepast op het gebruik van de lans of zelfs van kanonnen. Als je het zwaard kent, maak je geen domme fouten en wordt je niet bij verrassing aangevallen. Zwaardvechterschap is een kunst met universele toepassingen.      pagina 966



Lenovo Thinkpad E570 – 15,6″ 1920×1080 – i7 – 8GB DDR – 256 GB SSD – 1T HDD – dvd

Liu Chuanzhi startte in 1984 in Peking de computerfirma Legend. Als distributeur van Hewlett Packard verwierf hij ervaring met PC’s  en vanaf 2004 bracht hij zelfgemaakte computers als Lenovo op de markt. Die naam is de samenvoeging van het Le uit Legend en Novo als in nieuw.  Met een jaarproductie van 55 miljoen stuks en een  marktaandeel van 21 % is Lenovo momenteel de grootste PC producent ter wereld. Ze worden op de voet gevolgd door HP (19%) en Dell (15%) maar zijn geen match voor Asus (7,5 %), Apple (7%) en Acer (7 %). Lenovo is een private onderneming met weinig Chinese staatsinvloed. Het bedrijf wordt bestuurd vanuit hoofdkantoren in Peking, North Carolina USA en Singapore. In onze westerse wereld is het merk vooral bekend vanwege zijn high-end en zakelijk computers. Dat is goed aan de prijzen te merken want de laptops overstijgen na een uitgekleed instapmodel al snel de € 1000,-.

Thinkpad E570

De laptop heeft de desktop in de woonkamer vervangen en de PC echt personal gemaakt. Lenovo kocht in 2005 de homecomputers van IBM en kreeg de beschikking over hun Thinkpad lijn. Het versterkte daarmee zijn marktaandeel aanzienlijk en het merk Thinkpad werd ruim uitgesponnen.  De P-serie is snel (P van power?), de T-serie duurzaam en de X-serie is slank voor optimale mobiliteit.  De Thinkpad E is het functionele instapmodel voor kleine bedrijven en geeft plaats aan de meeste inbouwopties. De 5 van 570 staat voor een schermdiameter van 15,6″. De 70 is onderdeel van een ondoorgrondelijke vervolgserie tien of honderdtallen.

15,6-inch FHD (1920×1080) IPS anti-reflectiescherm met LED-achtergrondverlichting, zwart

Een desktop computer heeft een monitor en een laptop is uitgerust met een beeldscherm. Het is een nieuwe generatie lcd scherm (Liquid Crystal Display) dat met IPS (In Plane Switching) er voor zorgt dat het beeld goed blijft ongeacht de hoek van waaruit je kijkt. De LED (Light Emitting Diode) achtergrondverlichting bestaat uit een rij leds langs de randen die zorgen voor een hogere helderheid, een betere contrastratio en door uitschakeling van de leds een hogere zwartwaarde. De schermdiameter is 15,6 “en de schermresolutie is FHD (Full High Definition) wat staat voor 1920×1080 pixels. Dat aantal pixels is absoluut en de relatieve (ppi) scherpte van het scherm komt dus uit op 123 pixels per inch of te wel 50 per cm. Dat is dezelfde scherpte als bij een High Definition Televisiescherm. Die pixels worden aangestuurd door een GeForce 940MX 2 GB grafische kaart van de firma NVDIA uit Santa Clara California.

Intel Core i7-7500U-processor (4 MB cache, max. 3,5 Ghz)

De micro processor is het brein van de computer waar al het rekenwerk wordt uitgevoerd. Vroeger waren de veel losse componenten op een printplaat bevestigd. Nu zijn ze samengevoegd in de Central Processing Unit (CPU) van de computer waar de programmacode van de software wordt uitgevoerd. Snelheid is essentieel voor de uit te voeren werkzaamheden en is van een paar factoren afhankelijk. De kloksnelheid geeft aan hoe vaak per seconde een signaal verwerkt wordt. Bij een kloksnelheid van 1 hz wordt één bewerking per seconde uitgevoerd. Een kloksnelheid van 3,5 Ghz voert dus 3,5 miljard keer per seconde een bewerking uit. Snelheid op zich is niet zaligmakend want de cache (Frans voor verbergen) speelt ook een belangrijke rol. Cache is een aanvullend geheugen tussen het werkgeheugen en de processor waarin data tijdelijk wordt opgeslagen om snellere toegang mogelijk te maken. Hoe groter de cache hoe sneller de de processor werkt. De Intel Core processor werd in 2006 als opvolger van de Pentium op de markt gebracht. Na 11 jaar is het leveringsprogramma gevorderd tot i9 en begint de oneven serie bij de i3.  Vooral met de snellere processoren is goed geld te verdienen en een i7 kost € 275.

 

8GB DDR4-2133 SODIMM

Het 8GB werkgeheugen (RAM) is te vergelijken met het bureaublad waarachter het processorbrein zijn werkzaamheden uitvoert. Het acroniem RAM staat voor Random Access Memory en dat vertaalt zich naar geheugen met willekeurige toegang. Iedere geheugenplaats is dus, anders dan bij een harde schijf, even snel toegankelijk. Ook kan bij RAM in willekeurige (random) volgorde data uit het geheugen gelezen of weggeschreven worden. Het bureau doet aan clean-desk want het RAM geheugen is vluchtig (volatile) en gaat verloren als de stroom uitgeschakeld wordt. Aan de afkortingen valt af te lezen dat er vele verbeteringen zijn doorgevoerd. DDR4 is een afkorting van Double Data Rate 4th-generation  en SODIMM staat voor Small Outline Dual In-Line Memory Module.  Aankoop € 90,-.

Intel 256 GB SSD-station, PCIe-NVMe OPAL2

De archiefkasten rondom het bureau zijn de harddisks. Vroeger waren dit draaiende magnetische schijven en de informatie werd gelezen met een armpje dat de traagheid al in zich heeft. Tegenwoordig worden de harddisks steeds meer vervangen door Solid State Drives (SSD) waarbij de data  opgeslagen wordt in chips. Ze begonnen met geringe capaciteit maar groeien gestaag in omvang. Voor een laptop is nu al een versie van 512 GB beschikbaar. Een SSD is samengesteld uit meerdere vaste geheugenchips en heeft dus geen draaiende schijf meer. Een geheugencontroller zorgt ervoor dat alle data naar de juiste plek wordt weggeschreven.

De SSD is gekoppeld aan het RAM met een PCI Express (Peripheral Component Interconnect Express) insteekkaart. Het is een verkeersknooppunt waarop tevens plek is voor de grafische kaarten, geluidskaarten en netwerkkaarten.
Tussen de PCIe en de SSD zit nog een NVMe of Non-Volatile Memory express interface die het geheugen dat niet vluchtig is ook zonder stroom bewaart en op de SSD wegschrijft. Dat opslaan geschiedt aan de hand van de Opal Storage Specification. Dat is een  encrypting systeem dat voorkomt dat opgeslagen data door een buitenstaander ongewenst van de schijf gehaald kan worden.  Aankoop €160.

1TB HDD 5400rpm, 2.5″, SATA3

Computergeheugen groeit jaarlijks door de voortschrijdende techniek. Soms is er een echter een technische innovatie die tijdelijk stagnatie veroorzaakt. In een PC zou het veel te duur worden om een SSM geheugen van 1 Terabyte (1000 GB of 1000.000.000.000 bytes) te plaatsen. Voorlopig moeten we daarvoor nog op ouderwetse mechanische techniek teruggrijpen. Een Hard Disk Drive werd ‘hard’ genoemd om hem te onderscheiden van de floppy discs die hij opvolgde. Hij bestaat uit één of meerder ronde platen waarop met een beweegbare arm magnetische informatie wordt geschreven. De beschikbare oppervlakte wordt verdeeld in cilinders en sectoren. Elke sector heeft een uniek nummer en in een logfile wordt bijgehouden waar de delen van een bestand zijn opgeslagen. Omdat de arm maar op één plek tegelijk kan zoeken worden vooral grote schijven snel traag. Bij een externe harde schijf voor back-up doeleinden is dat geen probleem. Traag opslaan tijdens het werkproces kan snel vervelend worden en dan is de SSD in het voordeel. De HDD is met een Serial Advanced Technology Attachment  computerbus aan het werkgeheugen verbonden. Lenovo levert betrekkelijk dure HDD’s van € 150. Voor dat geld kun je al een externe harde schijf van 3T kopen.

dvd

Een Digital Versatile Disc is een optische schijf met een diameter van 12 cm waarop digitale data kan worden opgeslagen. Hij begon onder de naam Digital Video Disc maar werd met zijn veel hogere opslagcapaciteit dan een cd al snel een veelzijdige medium. Het is een wonder dat er nog een laptop wordt aangeboden waar hij standaard is ingebouwd. Alle vroegere dvd media als film, music en software worden tegenwoordig vooral als abonnement via internet aangeboden. Voor een verzamelaar is het essentieel dat hij zelfs zijn schijfjes op de laptop kan binnenhalen.

 

ThinkPad E570 – black w/silver inlay

– Intel Core i7-7500U Processor (4M Cache, up to 3.50 GHz)
– Windows 10 Home 64
– Windows 10 Home 64 WE (EN/FR/DE/NL/IT)
– 15.6″ FHD (1920 x 1080) IPS, AntiGlare
– 15,6-inch FHD (1920×1080) IPS anti-reflectiescherm met LED-achtergrondverlichting, zwart
– 8GB DDR4-2133 SODIMM
– NV Geforce GTX950M 2 GB
– Keyboard with Number Pad – Euro English
– Zilverkleurige C-Cover, 3+2BCP, vingerafdruklezer
– Software TPM Enabled
– Software TPM
– 720p HD Camera with MIC
– 1TB Hard Disk Drive, 5400rpm, 2.5″, SATA3
– Intel 256 GB SSD-station, PCIe-NVMe OPAL2
– Beschrijfbare dvd
– Li-cilinderbatterij van 41 W met 4 cellen
– Netvoedingsadapter van 90 W (3 pinnen) – EU
– Intel Dual Band Wireless AC (2×2) 8265, Bluetooth versie 4.1
– Publication – WE (FR/GE/IT/DU/EN)
– None
– 1 Year Depot or Carry-in

Japanse Edo prenten

Hishikawa MORONOBU wordt beschouwd als de eerste belangrijke Japanse kunstenaar die houtsnedes gebruikte. Het principe werd al langer toegepast maar kwam door zijn werk rond 1680 tot wasdom. In het begin waren het nog zwart wit afdrukken die vervolgens met de hand werden ingekleurd. Het was teamwerk van uitgever, kunstenaar, houtsnijder en de drukker. De uitgever was de eigenaar van het houtblok en behield het copyright. Hij bepaalde het onderwerp en gaf de ontwerpopdracht aan de kunstenaar. De drukker plakte de afbeelding omgekeerd op een blok kersenhout en verwijderde daarna de bovenste lagen van het papier. Alleen de lijnen bleven achter op het hout en de gebieden daartussen werden met met een guts verdiept. Voor iedere kleur was een ander blok nodig die met grote precisie op elkaar pasten. De drukker produceerde tot slot de prent en werkte met de afbeelding naar boven. Hij kon zo de druk op het blok plaatselijk variëren en kleurschakeringen mogelijk maken. De prenten werden in serie uitgegeven en waren voorzien van serienaam en volgnummer. Het was een goed marketing idee om de verzamelaars te verleiden de volgende prent te kopen om hun serie compleet te houden. In het midden van de 19de eeuw kon het aantal afdrukken van een blok in de duizenden lopen. In 1853 gingen de Japanse havens weer open voor buitenlandse schepen en veroorzaakte de fotografie een neergaande spiraal in de populariteit van de houtsnede.

Bijna alle klassieke Japanse houtsnede prenten zijn gemaakt in de Edo periode (1603-1868). Die begon na een lange periode van burgeroorlogen die door de krijgsheren Nobunaga (1534-1582) en Hideyoshi (1535-1598) werden beslist. De vrede werd hersteld en na de vernietiging van Kyoto verplaatste de nieuwe shogun  Tokugawa Ieyasu (1542-1616) de hoofdstad naar Tokyo (=Edo). In 1638 werden de Japanse havens gesloten voor buitenlands bezoek en ruim 200 jaar was het land afgesloten van de buitenwereld. De middenklasse profiteerde van de vrede en creëerde een welvaartspeil waarin behoefte was aan decoratie. Toen in 1657 Tokyo totaal afbrandde kon men ook daar een compleet nieuwe start maken. De heropbouw bracht automatisch nieuwe kunst met zich mee en de traditionele landschapsthema’s werden vervangen door onderwerpen dichter bij huis.
De Japanse prenten uit de Edo periode worden geduid met de verzamelnaam Ukiyo-e wat betekent prenten van de vlietende wereld. Het voornaamste onderwerp van de kunstenaars werd het alledaagse straat- en uitgaansleven met Kabuki theater en de prostitutie. Vooral het Kabuki theater was een spiegel van de maatschappij dat zich uitte in een vaak rusteloos zoeken naar de vergankelijke vreugden van het leven. Iedere tijdgeest heeft zijn verdienmodel en de uitgevers vonden in de houtsnede een perfect medium om deze nieuwe kunst in grote aantallen te produceren. Wat begon als affiche voor de theatervoorstellingen werd al snel een serie portretten van de acteurs, interieurs van theaters en bordelen en tot slot scènes uit het dagelijks burgerleven. De productie was overdonderend. Alleen al het Museum of Fine Arts in Boston heeft een collectie van 100.000 exemplaren. Doordat meerdere afdrukken per blok werden gemaakt is het risico op fataal brandgevaar aanzienlijk verkleind.

In chronologische volgorde 10 favorieten uit het grote aanbod.

Sugimura JIHEI (?-1698) was leerling van Moronobu en actief van 1681 tot 1998. Ook zijn prenten werden nog met de hand ingekleurd. Ze zijn vaak niet gesigneerd of hij verstopte zijn initialen in de afbeelding. Hij illustreerde 70 boeken en specialiseerde zich in erotische prenten.

Suzuki HARUNOBU (1725-1770) was de voortrekker van de meerkleurenprint. Hij is de meester van de bijin-ga portretten van knappe vrouwen en courtisanes. Ook werd zijn werk voor het eerst in maandelijkse kalenders uitgegeven wat van grote invloed was op het aantal geprinte exemplaren. Bovenstaande afbeelding is 1 van een serie van 8 afbeeldingen uit het dagelijks leven.

Isoda Koryusai (1765-1788) was samoerai tot hij zijn meester verloor en naar Edo verhuisde om schilder te worden.  Karakteristiek is zijn aandacht voor de kleding en kapsels en het ontbreken van een achtergrondillustratie.  Bovenstaande afbeelding kan gesubsidieerd zijn door een kleermaker of adverteren voor de chiqueheid van een bordeel. Van de totaal 600 illustraties bestaat het grootste deel uit portretten.

Chobunsai EISHI (1756-1829) mocht als oudste zoon van een samoerai zonder zorgen gaan schilderen. Hij specialiseerde zichzelf in afbeeldingen van de elegante aristocratie en werd daarmee zelfs in keizerlijke kringen geliefd. In 1801 stopte hij met de houtsnede ontwerpen en werkte alleen nog als schilder.

Ichirakutei EISUI (?-1823) maakt met zijn overgedreven sierlijke houdingen meer pin-ups dan portretten. Er zijn slechts 50 afbeeldingen van hem bekend en het zijn voornamelijk vrouwenportretten.


Kitagawa UTAMARO (1753-1806) behoort met Hokusai en Hiroshige tot de 3 bekendste Japanse houtsnede kunstenaars. Hij bezat de vanzelfsprekende virtuositeit om zijn knappe dames gracieus af te beelden en zodoende hun innerlijk te tonen. Hij was zo beroemd dat zijn afbeeldingen al tijdens zijn leven naar China en Europa werd geëxporteerd. Zijn hoofdkussen boek E-hon Utamakura uit 1788 is het meest perfecte Japanse boek van erotische kunst.

Katsushika HOKUSAI (1760-1849) is vooral vanwege zijn 136 Fuji prints bekend. Zijn productie was veelzijdig en overvloedig. Net zo divers als de wijze waarop hij zijn werken signeerde. Gedurende zijn 70 jarige carrière heeft hij meer dan 100 verschillende manieren gebruikt. Het is moeilijk voor te stellen dat hij ondanks zijn 30.000 afbeeldingen in armoede leefde, 20 keer van naam veranderde en 93 keer verhuisde. Zou een leesbare biografie opleveren.

Utagawa HIROSHIGE (1797-1858) is de laatste van het beroemde drietal. Hij was even veelzijdig en virtuoos als Hokusai maar hem lukte het wel om bij leven succesvol te zijn. Hij produceerde 5400 prints en velen daarvan vonden hun weg naar Europa en werden een inspiratie voor de Franse Impressionisten.

Utagawa KUNISADA (1786-1864) verbeeldde Japan vlak voor de opening naar het Westen. Werd ook wel de Acteur Schilder genoemd naar de krachtige en realistische stijl waarmee hij zijn acteurs afbeeldde.

Utagawa KUNIYOSHI (17981861) is de laatste van de grote Edo kunstenaars. Hij wordt ook wel de Krijger Schilder (Warrior Painter) genoemd. Naast de gangbare onderwerpen illustreerde hij vooral heldenverhalen. Bovenstaand is de legendarische samoerai Miyamoto Musashi in gevecht met een draak.

Oorlogsfilms 1-10

Regelmatig spat er een snipper van het filmblok af. Na de western, muziekfilm, biopic, rechtbankfilm, thriller, sportfilm en de science fictionfilm  is het nu de oorlogsfilm die zich verzelfstandigt. De genreduiding gebeurt tijdens het kijken en is een van de verzamelgenoegens. Het is een voortdurend proces waarbij nieuwe ontstaan en de oude veranderen. De oorlogsfilm is een duidelijk genre waarover weinig twijfel bestaat. Oorlog is de gewapende strijd tussen volken of staten. In een verhalende oorlogsfilm ondergaan verschillende personages het oorlogsgeweld en de gevolgen ervan. Dat kan ‘realtime’ verbeeld zijn of vanuit de invalshoek van de reflectie achteraf. Het is een ruim genre en de uitzonderingen zijn de overlappingen met andere reeds bestaande genre’s: western, science fiction en nog te duiden overige vechtgenre’s: sword&sandal, samoerai en ridders.

enemy-at-the-gates

Enemy at the gates – Jean-Jacques Annaud – 2001

Jean Jacques Annaud is een eigenzinnige Franse regisseur die maatschappelijke of dierenfilms maakt. Het lukt hem altijd om voor zijn specifieke privé onderwerpen grote budgetten bijeen te schrapen. Alleen al daarom is het interessant om zijn enige oorlogsfilm te bekijken. De speelt in het verwoeste Stalingrad van 1942 waar de Russen wanhopig  tegen de Duitse aanvallers vechten. De Russische scherpschutter Jude Law wordt door partijleider Nikita Chroesjtsjov (1894-1971) tot held gebombardeerd en de journalist Ralph Fiennes schrijft hem de hemel in. De Duitsers zetten hun expert Ed Harris tegenover hem. Om de zaak te compliceren wordt burgerwacht Rachel Weiss verliefd op Law terwijl Fiennes haar begeert. Ed Harris zet een val voor zijn rivaal maar gelukkig voor de film blijft Law door toeval in leven. Als Weiss dodelijk wordt verwond zet hij zijn leven op het spel om Harris uit zijn schuilplaats te lokken. Eind goed al goed: Law doodt Harris, Rachel herstelt van haar verwondingen en wordt door Law in het overvolle hospitaal teruggevonden. Jean-Jacques Annaud filmt een grimmige en smerige oorlog. Een originele poging om met een klein verhaal een grote strijd te duiden. De filmbeelden lijken erg op de verslaggeving van de Irak/Syrië strijd. Ook moest ik denken aan de roman Leven & Lot (1959) van Vasili Grosman (1905-1964) die zich afspeelt in de strijd om Stalingrad. Bob Hoskins is een onverwacht goede Chroesjtsjov. Ed Harris wordt met zijn staalblauwe ogen een perfect koele Arische sniper. Rachel Weiss is als altijd competent maar kan haar troeven niet geheel uitspelen. Ook Law komt niet veel verder dan met zijn ingepakte geweer door de puinhopen te sluipen. Budget $68 miljoen, opbrengst worldwide $95 miljoen.

American Sniper – Clint Eastwood – 2014

Hollywood heeft een zwak voor waargebeurde verhalen. Dit keer dat van de Texaan Chris Kyle die op latere leeftijd als scherpschutter bij de US Navy Seals komt en 4 tours in Irak doet. Hoofdrolspeler Bradley Cooper kocht de rechten en kwam voor de rol 20 kg spiermassa aan. Hij huurde de 84-jarige Clint Eastwood in omdat het de enige regisseur was die van Chris Kyle mocht regisseren. Om het nog spannender te maken werd de werkelijke Chris Kyle vlak voor de opnamen in Amerika door een veteraan doodgeschoten. Clint Eastwood maakt zijn vertrouwde verzorgde en soepel gemonteerde film. We volgen Kyle chronologisch door zijn opleiding bij de Seals (SEa, Air, Land), zien zijn liefde voor Sienna Miller en de 4 termijnen in Irak. Eastwood kan zijn Hollywood verleden niet verloochenen en maakt er een persoonlijke strijd van tussen Kyle en de Arabische scherpschutter Mustafa. Pas als Kyle definitief wint kan hij Irak loslaten en in thuisblijven. Daar is hij in eerste instantie gevoelloos en kan pas door zijn werk met de oorlogsveteranen terugkomen bij zijn emoties en gezin. Tot hij dus door een veteraan wordt doodgeschoten. Een ruwe film met een boodschap die toch mooier is geworden dan de werkelijkheid. Een andere Irakganger Kevin Powers heeft in 2002 met zijn aangrijpende roman The Yellow Birds een veel aangrijpender beeld geschetst. (zie https://erikgveld.wordpress.com/2013/05/29/kevin-powers-the-yellow-birds-2012/)
Budget $60 miljoen, opbrengst WW $ 560 miljoen.

The eagle had landed – John Sturges – 1976

John Sturges (1910-1992) is een actiefilm regisseur en voornamelijk bekend van zijn westerns. De oorlogsfilm is natuurlijk bij uitstek een actiefilm en alleen daarom al is The eagle has landed interessant. Een beetje jammer is wel dat de toen 66 jarige Sturges zijn laatste film voornamelijk voor het geld draaide en er een routineklus van maakte.  Toch blijkt een routineklus van Sturges nog steeds beter dan een geslaagde film van een middelmatige regisseur.
Een Duits commando onder leiding van Michael Caine laat zich in 1943, verkleed als Pools regiment, afzetten in Engeland om Winston Churchill te ontvoeren. De Duitse inlichtingendienst weet dat Churchill een paar vakantiedagen in een kusthuis zal verblijven en dat is dus de plek om toe te slaan. Donald Sutherland is een Duitse Ier die wordt vooruitgestuurd om contact te leggen met de lokale bevolking.  Hij verleidt een Engels paardenmeisje en vindt zijn spionnencontact langs de kust om een radioboodschap uit te zenden. Het plan loopt averij op als een Engels kind in een watermolen valt en wordt gered door een Duitse soldaat. Tijdens de actie valt op dat hij onder zijn Poolse kleding een Duits uniform draagt. Het ontvoerdersteam zet snel door en Caine infiltreert in de villa van Churchill. Hij doodt hem en wordt zelf kort daarop zelf ook neergeschoten. De bewakers van Churchill hebben medelijden met de stand-in die zijn Churchill rol zo goed speelde. De Engelsen hadden de afleiding bedacht om Churchill in het geheim elders te laten vergaderen. Donald Sutherland spreekt heerlijk zingend Iers, Michael Caine en Robert Duvall hebben geloofwaardige Duitsers in huis. Budget $6 miljoen.

Route Irish – Ken Loach – 2010

Regisseur Ken Loach is, samen met Mike Leigh, de expert van het Engelse sociaal economische drama en niet de voor de hand liggende regisseur om een oorlogsfilm mee te maken. Gelukkig passen de thuislevens van de soldaten wel weer in zijn straatje en situeert hij zijn Irak film voor een groot deel in Liverpool.  De ex-militair Fergus (Mark Womack) haalt zijn vriend Frankie over om voor £10.000 per maand als huurling in Irak te werken. Als die vriend omkomt voelt Fergus zich verantwoordelijk voor zijn dood en gaat hij op onderzoek uit. Het voorval vond plaats op de Route Irish, de meest gevaarlijke straat in Bagdad. De huurlingen hebben immuniteit voor hun gedrag en zijn potente duwers met korte lontjes die recht op hun doel afgaan. Ze worden ingehuurd door aannemers die met alle middelen hun handel beschermen. Via de mobiel van Frank ontdekt Fergus dat de huurlingen een burgertaxi hebben beschoten. Een Iraakse familie is daarbij omgekomen en de huurlingen willen hun fout verbergen. Frankie ontdekte de waarheid en werd uit de weg geruimd. Als Fergus deze feiten heeft achterhaald plaatst hij een bom in de auto van de aannemers. Maar zijn wraak kan Fergus niet bevrijden van zijn oorlog trauma’s en hij pleegt zelfmoord.  Ken Loach volgt Fergus in Liverpool en gaat via zijn gedachten naar Irak. Hij maakt er gewoon een lekker sociaal drama van met veel couleur locale zoals een partijtje blindenvoetbal. Hij kijkt met hetzelfde mededogen naar de Iraakse bevolking als naar hun Engelse soortgenoten. Wat goed duidelijk wordt is dat door het gedrag van de huurlingen de Irakese bevolking in de armen van Al Qaida wordt gedreven. (cijfers budget/opbrengst niet gevonden)

Fury – David Ayers

Brad Pitt heeft de beginnend regisseur David Ayers een stapje verder gebracht. Alleen al zijn filmsterrennaam resulteerde in een budget van $68 miljoen voor een moderne oorlogsfilm. We volgen de bemanning van een Amerikaanse tank in Duitsland die op de tankloop de naam Fury heeft geschilderd. Commandant Brad Pitt heeft zijn 4 koppige bemanning vanaf de invasie bij Normandië in leven kunnen houden. Ze zijn ondertussen ver in Duitsland doorgedrongen en ondervinden nog veel tegenstand van de superieure Duitse tanks. Onderweg krijgen ze in Logan Lerman een nieuwe boordschutter die eigenlijk als klerk is opgeleid. Door zijn naïeve ogen beleven we de vieze manier van oorlogvoeren waarin geen plek is voor edele gebaren. Zonder enige menselijkheid worden alle Duitsers die ze tegenkomen rücksichtloos neergeschoten. De tankdivisie wordt uitgedund door vijandelijk vuur en Fury komt met gebroken rupsbanden op een kruispunt vast in de modder te staan. Als een Duitse divisie nadert vlucht de bemanning niet en houdt tot de laatste man stand. Alleen Lerman komt er levend vanaf doordat hij zich via het vloerluik onder de tank laat zakken. Regisseur David Ayers heeft door zich te concentreren op slechts één tank een indringende oorlogsfilm gemaakt. Vooral de uitzichtloze situaties, het slechte weer en de grote hoeveelheden modder maken indruk.  Budget $68 miljoen, Opbrengst WW $ 172.

The Train – John Frankenheimer – 1964

Het blijft een feest om een ouderwetse analoge film te bekijken. Om te ontdekken wat er mogelijk was in die pré-digitale, onbewerkte tijd. John Frankenheimer was een meester in het thriller genre en heeft dus spanning aan zijn oorlogsfilm toegevoegd. Hij vond in de combinatie oorlog en kunstschatten een thema van alle tijden. Een paar dagen voor de geallieerden in 1944 Parijs bereiken willen de Duitsers de Franse erfgoed schilderijen nog snel naar Duitsland afvoeren. De Franse spoorwegbeambte Burt Lancaster zit in het verzet maar wil geen verzetslevens aan kunst opofferen. In eerste instantie gaat het om tijd rekken en op die basis wil hij meewerken. Als er vervolgens  saboteurs sterven kan hij zich niet afzijdig houden. Hij rijdt mee met het vervoer en laat de namen van de stations die worden gepasseerd veranderen. De Duitsers denken dat ze richting vaderland rijden maar keren in werkelijkheid terug naar Parijs. Dat is natuurlijk niet lang vol te houden en de rit eindigt in een laatste scene waar de Duitse kolonel Paul Scofield Lancaster uitmaakt voor cultuurbarbaar (een stuk mensenvlees) voordat hij in koele bloede wordt omgelegd (zie foto). John Frankenheimer heeft 25 jaar na de eerste kleurenfilm toch nog een zwart wit film gemaakt. Een realistische keuze met al die grauwe locomotieven, rokende stoom en glimmende rails. Het mocht blijkbaar wat kosten want we zien zelfs hoe een ontspoorde locomotief van de rails wordt gehesen. De film scoorde nummer 1 in de film top 100 van een treinentijdschrift. Een mooie rol van Jeanne Moreau die met tegenzin de gewonde Lancaster helpt omdat ze het risico te groot vind. De Duitsers zijn keihard in hun represailles en de vraag blijft altijd geldig: Hoeveel mensenlevens is een trein met schilderijen waard? Budget $ 7,5 miljoen, opbrengst WW $ 15 miljoen en 100% beoordeling op rotten tomato’s site.

Halls of Montezuma – Lewis Milestone – 1950.

Lewis Milestone heeft met All quiet on the western front al in 1930 de ultieme oorlogsfilm gemaakt. Hij deed dat door juist de Duitse kant van WW1 te belichten en zijn hoofdpersoon op een onvergetelijke manier aan zijn einde te laten komen. De soldaat ziet een vlinder over de loopgraaf vliegen, richt zich te ver op en wordt doodgeschoten. Hoe is de zinloosheid van de oorlog beter in beeld te brengen. Twintig jaar later maakt hij Halls of Montezuma waarin Luitenant Richard Widmark de voorhoede is van de invasie van een Stille Oceaan eiland. De Japanners bestoken hun basis met raketten vanuit een onbekende plek. De Amerikanen moeten koste wat het kost die locatie achterhalen voordat de grote invasie plaatsvindt. De gevangen genomen Japanners geven niet veel van de puzzel prijs maar die wordt natuurlijk net op tijd gelegd. Lewis Milestone heeft er bijna een documentaire van gemaakt. Netjes zien we alle  standaard gevecht situaties: invasie met landingsvaartuigen, het opruimen van mitrailleursnesten met vlammen werpende tanks,  sluipschutters, verkenningspatrouilles , man tot man gevechten, dood door eigen vuur, etc. Eén voor een sterven de maten van Widmark en hun bezittingen worden eerst op gênante details gescand voor ze naar het thuisfront worden gestuurd. Jack Palance mag nog niet zoveel zeggen voor hij in een paar jaar later in Shane (George Stevens 1953) de ultieme bad guy werd. Ook Richard Boone is nog niet op het niveau van zijn latere boeven rollen. De veelzijdige Richard Widmark speelt nu eens wel aan de goede kant. Gefilmd in 1950 dus toen de kleuren nog het mooist waren in het sprankelend technicolor. Gedachten flashbacks en originele oorlogsbeelden voltooien het beeld.  Opbrengst $ 3,6 miljoen.

Von Ryan Express – Mark Robson – 1965

Frank Sinatra was in de jaren 50 net zo bekend als filmacteur dan als zanger. Het medium film blijkt vergankelijker dan de muziek want hij gaat de geschiedenis in als zanger. Zijn manier van acteren zit dicht bij zijn persoonlijkheid en is moeilijk van zijn persoon te scheiden.  Net als bij John Wayne duurt het even voor je hem gaat waarderen.
De Amerikaanse piloot/kolonel Sinatra stort aan het einde van WW2 in Italië neer. Hij wordt gevangen genomen en is in het krijgsgevangenen kamp de meerdere in rang van de opstandige Engelse majoor Trevor Howard. Ondanks de naderende bevrijding willen de principiële Engelsen de strijd tot het einde toe doorzetten. De instelling van de pragmatisch Sinatra is om de laatste weken levend door te komen. Ze worden kortstondig bevrijd maar opnieuw door de Duitsers gevangen genomen en op treintransport naar Duitsland gezet. Onderweg overmeesteren ze de bewakers en kunnen met bluf, valse orders en geluk via Milaan naar Zwitserland ontkomen. In de stations vermommen ze zich als Duitsers maar ze hebben slechts één Duits sprekende aalmoezenier aan boord. Op het eind wordt het opnieuw spannend als ze in Zwitserland door 3 Messerschmitts worden aangevallen. De rails voor hen wordt beschadigd en achter hen is een Duitse troepentrein in aantocht. In de jaren 60 verkocht Hollywood geen goed einde en onze tragische held Sinatra wordt bij de laatste actie neergeschoten. Het blijft imposant hoe hij met minimaal acteerwerk toch opvallend aanwezig blijft. Trevor Howard heeft er heel wat meer inspanning voor nodig. De film is een lekker ouderwets avontuur met mooie Italiaanse landschappen en imposante muziek. Raffaella Carra mag even als Italiaanse schone langskomen maar wordt als verraadster te snel doodgeschoten. Mark Robsen heeft vakwerk geleverd. Budget $6 miljoen, opbrengst $ 17 miljoen.

Guns of Navarone – J. Lee Thompson – 1961

The Guns of Navarone is voor mij de moeder van alle oorlogsfilms. Ik heb hem nog op supergroot scherm gezien en een paar scènes onthouden: de spionne met de ontblote rug, de mitrailleur onder het zeildoek van de vissersboot, het ontstekingscontact in de liftschacht en de naar beneden stortende kanonnen. Het kader is echter verloren gegaan omdat het verhaal van Alister MacLean uit 1957 zo weinig omhelst. Anthony Quale krijgt met zijn team zes dagen de tijd om de zware Duitse radargestuurde kanonnen op het Griekse eiland Navarone uit te schakelen voor de geallieerde marine zijn offensief inzet. Het team bestaat natuurlijk uit eigenzinnige experts die maar moeizaam kunnen samenwerken. Gregory Peck is de onpeilbare bergbeklimmer, Anthony Quinn de opvliegerige Griekse local, David Niven de intellectuele Engelse explosievenexpert. Aangevuld met wat jonge energie en brute kracht krijgen ze lokale steun van Irene Papas en de zwijgende verraadster Gia Scala. Ze krijgen een ongeluk met hun zeilboot voor de kust, Quale breekt zijn been en Peck neemt de leiding over, ze klimmen langs een steile klifwand omhoog, worden gevangen genomen maar komen vrij, fingeren een aanval op de andere oever van het eiland en sluipen het verlaten fort binnen. Daar plaatsen ze de explosieven en vluchten met touw vanuit de kanonnenmond weer richting zee waar ze worden opgepikt. In die boot vindt Anthony Quinn eindelijk de liefde van zijn leven in Irene Papas. Regisseur J. Lee Thompson heeft weinig klassiekers gemaakt. Je kunt je dus afvragen of Navarone  meer de film is van producer Carl Foreman. Tijdens het kijken maakt het niet veel uit want er wordt vakwerk geleverd. Mooie ethische discussies die door  David Niven  worden aangezwengeld. Dat als je moe bent van de oorlog het geen excuus is om je taak niet goed uit te voeren. Wat doe je met een gewond teamlid: achterlaten, doden of meeslepen? Kan de bevelhebber zelf ook vuile handen maken? Peck weet steeds de adequate keuzes te maken en is hard en gevoelig tegelijkertijd. Oscar voor Special effects.  Budget $ 6 miljoen, Opbrengst WW $ 30 miljoen.

Escape to Victory – John Huston – 1981

Escape to Victory geeft een genreprobleem. Het wordt toch een oorlogsfilm omdat het belang van het partijtje voetbal tussen Duitse soldaten en hun Engelse krijgsgevangenen het sportieve spel overstijgt. Wat begint als een project om het moreel van de krijgsgevangenen in Parijs te verbeteren wordt al snel opgeblazen tot propaganda voor de Mannschaft. Speler/coach Michael Caine van de gevangenen eist extra voeding en alle goede spelers uit de werkkampen elders in Europa. Hij redt daarmee levens want veel spelers komen in slechte fysieke toestand aan. De Engelsen in het team houden als altijd de plicht hoog en vinden dat er ook ontsnapt moet worden. In samenwerking met het verzet wordt er een tunnel naar de gastenkleedkamer gegraven. Als ze met de rust 4-1 achterstaan weigeren ze om te vluchten. Ze willen op het veld wraak nemen en daar van de Duitsers winnen. Bij de 4-4 eindstand scandeert de Franse tribune ‘Victoire!’ Het publiek overstroomt het veld en in de menigte kunnen de spelers zich omkleden naar burger en met de massa ontvluchten. De Amerikaanse regisseur John Huston probeert niet het voetbal te ontleden en maakt van het spel meer oorlog dan sport. Hij verwart ons voetbal met zijn American Football en maakt de tackles tot het belangrijkste onderdeel van het spel. Zijn aandacht ligt veel meer bij het verhaal en dat wordt verteld met droge aandacht en ingetogen beelden. Sylvester Stallone speelt een opvallend functionele rol als de Amerikaanse pragmaticus. Verder mogen veel bekende voetbalsterren van weleer meespelen:  Pelé, Bobby Moore, onze Co Prins en Paul van Himst zijn te herkennen. Budget $ 10 miljoen, opbrengst WW $ 27 miljoen.