Skip to content

Neo Rauch (1960 Leipzig)

De schilderijen van Neo Rauch fascineren me al jaren. Ze zijn groot, kleurrijk, figuratief en er valt steeds iets nieuws op te zien. Je hebt door dat er iets gewichtigs wordt getoond maar kunt niet ontdekken wat er precies gaande is. Je realiseert je dat de schilderkunst een perfect medium is om grote gedachten over te brengen. Net als symfonische muziek waar ook diepe gevoelens worden gedeeld zonder dat het mechanisme duidelijk is. Je staat er voor, kijkt er met toevalligheid naar en merkt dat het beter is om niet teveel na te denken. Met de logica van de droom en de vormgeving van de verbeelding kom je verder dan in de kaders van de ratio. We zien een dreigende catastrofe vol instortende systemen die hopeloos lijkt maar toch ook weer niet ernstig overkomt. Ouderwets geklede personages uit de Europese geschiedenis figureren in slecht geënsceneerde toneelstukken. De naam Neo Rauch draagt eenzelfde aura. Neo is lekker modern en Rauch klinkt weer behoudend en oerduits.

Dit voorjaar is zijn overzichtstentoonstelling Dromos in het Museum De Fundatie in Zwolle dus bijna een verplicht nummer. Een ontdekking zit er niet meer in maar een openbaring blijft nog altijd mogelijk. Vooral als het totale museum inclusief de 2 daklagen is volgehangen met bijna 65 werken waaronder veel gigantische schilderijen. Als het wonder zich ontvouwt wordt het hoog tijd om een blog over Neo Rauch te schrijven en mijn fascinatie duidelijk te maken. Dit is namelijk nu al de mooiste expositie van 2018.

Neo Rauch is in 1960 in Leipzig in de toenmalige DDR geboren. Zijn ouders kwamen 4 weken later op 21- en 19-jarige leeftijd door een treinongeluk om het leven en Neo verhuisde naar zijn grootouders in Ascherleben aan de rand van het Harz gebergte. Hij ging weer terug naar Leipzig voor dezelfde Hogeschool voor de Grafiek en Boekkunst waar zijn ouders studeerden en voltooide zijn kunstopleiding net voor de val van de muur in 1990. Zijn beroemde oudere collega’s Gerhard Richter, Anselm Kiefer en Sigmar Polke verlieten Oost Duitsland om in het Westen faam te vergaren. Rauch bleef achter in Leipzig en assisteerde Arno Rink tot hij in 2005 zelf als hoogleraar werd aangesteld. Hij transformeerde daar het lijden onder het DDR communisme tot centraal thema van zijn werk en wordt de drijvende kracht achter de Neue Leipziger Schule. Ze maken het figuratieve schilderen weer zo populair dat het voor een neo-surrealistisch genre door kan gaan. Heel vanzelfsprekend ontwikkelt zijn schilderscarrière zich via groepsexposities naar solotentoonstellingen tot hij Duitsland vertegenwoordigt bij de biënnale van Venetië 2001 en Sao Paulo 2004. Hij wordt zo populair bij de kunstkopers dat in juni 2009 zelfs Brad Pitt het bescheiden Etappe (1998) van 2×3 m voor € 710 000 aankoopt. Het geeft een goede indicatie dat zijn grote doeken van 3×4 m wel > € miljoen zullen opleveren. Met een geschat vermogen van € 100 miljoen behoort hij in 2017 dan ook tot de 1001 rijkste personen in Duitsland. Zijn echtgenote Rosa Loy  is ook bekend als kunstschilder. Momenteel heeft zij een mooie expositie in het Drents Museum in Assen. We stapten zonder voorkennis de zaal binnen en meenden een feministische variant van Neo Rauch te herkennen. Tot we in de begeleidende tekst lazen dat ze zijn echtgenote was.

Neujahr (2005)

Neo Rauch doet weinig moeite om zijn werk te duiden. Hij is wat dat betreft nog een echte Oost-Duitser die zijn mening verbergt omdat de staat meeluistert. In de gangen van de Fundatie hangen een paar kenmerkende interview citaten. Rauch ziet ziet zijn taak als kunstenaar om als schepper een constructie te maken met een als het ware inherente vitaliteit en plantachtige vanzelfsprekendheid, die eigenlijk geen interpreterende toeschouwer nodig heeft om zijn bestaansrecht te bewijzen”. Ook wordt een film getoond waarin je ziet hoe hij zijn schilderijen van achter naar voren opbouwt. Vanuit een egale donkere achtergrondkleur schildert hij de voorliggende personages of voorwerpen. Zo werkt hij laag na laag af en eindigt bij de voorgrond. Hij doet dat kennelijk zonder voorschets of ontwerp en laat het proces intuïtief ontstaan. Een kunstwerk is niet iets dat je kunt willen, maar iets dat gebeurt. Paardenbloemen kun je ook niet kweken.” Rauch vindt dat zijn kunstnooit de sprong over de rand mag wagen, hand in hand met de toeschouwer. Ze moet hem de afgrond laten zien en hem dan omarmen en terugbrengen naar veiliger gebied”. Zijn kunst is “een bovenzinnelijke beschikking waarbij de kunstenaar door de mantel van het lot wordt beroerd en contact heeft met een sfeer die zich zo veel mogelijk aan een rationele greep onttrekt”. De kunstenaar kijkt dus tijdens het schilderen vanuit zijn ooghoeken naar het resultaat.

De Brad Pitt aankoop Etappe (1998)

Het zijn grote woorden van een kunstenaar die natuurlijk alle tijd heeft om tijdens het schilderen na te denken over zijn werkproces. Als kijker haal je hem nooit meer in en komt niet verder dan een paar losse kreten om het raadsel te duiden. Je staat voor de schilderijen en wordt gebombardeerd door indrukken uit mythische maar toch ook intens realistische werelden. De betekenis voorziet een nooit gestelde vraag van een dubbelzinnig antwoord. Dramatische landschappen en felgekleurde wolkenluchten bedreigen ouderwets geklede personages die zo uit de 18-de eeuw zijn gestapt en zijdelings met elkaar in gesprek zijn. Ze jongleren met voorwerpen die wonderbaarlijke associaties aangaan met beelden vol raadselachtige waarheden. Alles lijkt van het grootste belang zonder dat de betekenis overkomt. Je meent het soms te begrijpen maar kunt het niet uitleggen. Rauch beloopt de wankele lijn tussen begrip en raadsel. Door de grote afmetingen krijgen de kleuren de kans hun diepgang te tonen. Het kijkproces wordt nooit zwaarmoedig en behoudt een oppervlakkig speels karakter.

Alte Verbindungen (2008)

De verleiding tot aankoop van een Rauch boek is al meerdere keren weerstaan maar nu niet meer tegen te houden. Ik wil tot € 25 gaan en ben blij verrast als een vriendelijke suppoost vertelt dat hij gratis is als we voor € 13 een bankgiro lot kopen. Vaak vind ik de reproducties mooier en overzichtelijker dan de werkelijke schilderijen. Bij Edward Hopper geldt dat zeker maar bij Rauch blijkt dat niet het geval. De printkleuren zijn vlak en het kleine formaat komt de verbeelding niet ten goede. Een schrale troost is dat de grote doeken van Zwolle langzaam zullen vervagen en worden vervangen door de reproducties die onder handbereik zijn.
Een tweede reden voor aankoop waren de duidende essays en zowaar een interview met Neo Rauch. De essays zijn net als de schilderijen heel uitgesproken. Je volgt de gedachtengang van de expert alsof het een kunstpreek is. Ik vind het kunsthumbug die wordt geuit ter glorie van de kunstkenner. Een nieuw weetje is wel dat Max Beckmann (1884-1950) de expressionistische variant van Rauch is en dat ook hij in Leipzig is geboren.
Het interview met Rauch geeft een inkijkje in zijn denkwereld. Hij is resoluut in zijn mening en blijkt een cultuurpessimist. Zijn schilderijen zijn een aanklacht tegen het modernisme, een verlangen naar een verdwenen wereld. Het is een aanklacht tegen de moderne mens die sinds de tijd van na 1920 is gereduceerd tot een economisch boekhoudkundig element. Rauch wordt daarmee een reactionaire somberman en mijn bewondering loopt een deukje op. Hij is nog steeds voorzien van de idealistische communistische geest uit zijn vormende jaren die het kapitalisme afkeurde. De verdieping van zijn werk lukt dus moeizaam en we keren maar snel terug naar de magie van zijn beelden. Het is vooral het onvoorspelbare compositietalent en de verleiding van de kleuren waar het om te doen is.

Mars (2002)

Abraum (2003)

Nach der Schicht (2011)

Der böse Kranke (2012)

Hohe Zeit (2012)

Zustrom (2016)

Advertenties

Mo Yan – De wijnrepubliek – 1992

Alcohol en schrijven gaan goed samen. Vooral tijdens de eerste afdronk opent een creatieve sluis en stromen de associaties naar buiten. Je gunt ze schaamteloos de ruimte voordat de nuchtere geest gaat fatsoeneren. Vanwege deze ontremming zijn veel schrijvers liefhebber van een glaasje. Malcolm Lowry (1909-1957) schrijft met zijn Under the Vulcano (1947) natuurlijk het beroemdste voorbeeld. The lost weekend (1944) van Charles Jackson (1903-1968) is net zo kenmerkend. Oost-Aziaten ondervinden minder ethische belemmeringen ten opzichte van alcohol en het is dus niet zo vreemd dat de Chinees Mo Yan ook een roman over alcohol heeft geschreven. Vooral vanwege dit thema besloot ik hem een nieuwe kans te geven. Als altijd had ik hem vanwege zijn Nobelprijs (2012) leren kennen en zijn laatste roman Kikkers (2009) geprobeerd. De exotische setting en het thema over de één kind problematiek leken me voldoende relevant. Toch werd de kennismaking geen genoegen en heb ik vanwege vermeende oppervlakkigheid het einde niet gehaald.
In De Wijnrepubliek revancheert Mo Yan zich door een virtuoze leeservaring. Hij maakt er een barokke en fantastische vertelling van waarin alles over de top gaat en niets geloofwaardig meer is. Het is dan ook niet vreemd dat de roman bij publicatie in 1992 unanieme lof van de westerse critici kreeg. Ik moet tijdens het lezen regelmatig denken aan de aanstekelijke waanzin van Mircea Cartarescu of  het fantastische realisme van Garcia Márquez.  Mo Yan legt zelf de lat nog hoger en refereert in het laatste hoofdstuk aan Ulysses van James Joyce. We nemen het hem niet kwalijk want hij doet het meer uit baldadigheid dan hoogmoed. Hij is veel meer de ontspannen verteller die gaat waar hij wil en geniet van de uit zijn pen buitelende zinnen. Het voelt alsof Mo Yan bij het schrijven heerlijk heeft gedronken.

De speciale opsporingsambtenaar Ding Gou’er reist af naar Alcoholica om namens het Provinciaal Bestuur de geruchten over kannibalisme te onderzoeken. Een brutale vrachtwagenbestuurster geeft hem een lift naar de mijn waar het onheil zich afspeelt. Bij de ontvangst moet hij regelmatig met 3 glazen tegelijk proosten voor hij aanzit op het feestmaal met de mijndirecteur en de partijsecretaris. Ook de anarchist Diamant Jin eet mee en drinkt onvoorstelbare hoeveelheden alcohol. Ding raakt buiten westen maar wordt teruggehaald met een ontnuchterings vloeistof. Het sluitstuk van de maaltijd bestaat uit een schaal met een levensecht jongetje. Ding is te dronken om uit te maken of het een echt mens is of nagemaakt met etenswaar. Hij raakt opnieuw bewusteloos en wordt naar een kamertje gesleept waar zijn dronken geest aan het plafond hangt en ziet hoe een kleine demon zijn kleding doorzoekt. De volgende ochtend vertrekt hij uit de mijn en komt de vrachtwagenbestuurster weer tegen. Zij heet Alkaline en neemt hem mee naar haar appartement waar ze hem verleidt. Tijdens de daad worden ze gefotografeerd en blijkt dat Diamond Jin haar echtgenoot is. Hij wil Ding Gou’er vanwege het onderzoek chanteren maar na een paar glazen besluiten ze om samen te werken. Opnieuw drinkt Ding zich bewusteloos en wil als hij wakker wordt zijn onderzoek snel afronden. Alkaline gaat hem helpen en ze brengt hem voor nadere informatie naar de maffiose dwerg en restauranthouder Yu Yichi. Als Ding hoort dat zij de 9de maîtresse van Yu Yichi was vlucht hij kwaad van jaloezie de nachtelijke regen in. Hij vindt onderdak bij een oude revolutionair en kan zich niet beheersen als hij een glas Maotai aangeboden krijgt. Het is de drank die Mao scherp deed denken en onoverwinlijk maakte. Als ding de fles wil stelen wordt hij hardhandig tot de orde geroepen en raakt opnieuw buiten bewustzijn. Met in zijn gedachten de overspelige Alkaline achtervolgt hij de revolutionair en komt terug bij het restaurant van Yu Yichi. Als hij ontdekt het stel al eerder te hebben doodgeschoten vlucht hij vol fantastische droomsituaties opnieuw weg en eindigt op de bodem van een beerput.
Bovenstaand verhaal van schrijver Mo Yan wordt onderbroken door een briefwisseling tussen Mo Yan en de idealistische beginnende schrijver Li Yidou. Deze is ‘Doctor in de Alcohol’ aan de Brouwers Universiteit in Alcoholstad maar ambieert een carrière als schrijver. Naast zijn brieven stuurt hij ook verhalen ter beoordeling en vraagt Mo Yan deze door te geven aan een literair magazine. De korte verhalen staan op zichzelf en geven aanvullende informatie op het verhaal van Mo Yan. Het eerste verhaal gaat over een Alcohol lezing van Diamant Jin die door Li Yidou met zijn schoonouders wordt bijgewoond. In het volgende verhaal ontmoeten we een arm gezin dat kinderen opvoedt om ze voor consumptie te verkopen aan de Culinaire Academie van Alcoholstad. In het derde verhaal probeert De kleine Demon tevergeefs de jongetjes die voor consumptie zijn gekocht tot opstand aan te sporen. Het vierde verhaal brengt ons in het restaurant van de dwerg Yu Yichi die aan schrijver Li Yidou vraagt om voor veel geld zijn levensverhaal te schrijven.
Daarna volgt een verhaal over Schoonheid Yuan, de lelijke echtgenote van Li Yidou die zelfmoord wil plegen omdat haar man meer van haar knappe moeder houdt. Tijdens een lezing van deze moeder leert Li Yidou dat de kok het klaarmaken van baby’s draaglijk kan maken door ze als kleine dieren met menselijke vorm voor te stellen. Een andere culinaire specialiteit van de moeder is het bereiden van zwaluwnestjes. Haar familie leefde vroeger van de zwaluwnest oogst en ze dankt haar schoonheid aan het feit dat ze als kind iedere dag een zwaluwnest at. Ze vertelt hoe ze een keer met haar familie naar een groteiland roeide waar de mannen met behulp van bamboestokken naar het plafond van een grot klommen om de nesten los te snijden. Het is gevaarlijk werk en ze worden voortdurend aangevallen door de zwaluwen die hun moeizaam uit speeksel geproduceerde nesten willen beschermen. De schoonmoeder ziet hoe haar jongste oom te pletter valt en weet dat haar vader hetzelfde 5 jaar later overkomt. Ze verlaat op 14-jarige leeftijd het ouderlijk huis en kan met haar kennis doorleefde zwaluwnesten bereiden.
Het verhaal Apendrank is een essay is over de geschiedenis van de alcohol. In de prehistorie viel fruit in een plas en gistte daar tot alcohol dat door de apen werd gevonden. Ze hielpen de natuur een handje en hun drank werd een levenselixer. Als Li Yidou dit aan zijn schoonvader vertelt reist hij af naar de Apenberg. Zijn schoonmoeder is blij van haar man verlost te zijn omdat zijn liefde voor de alcohol groter was dan de liefde voor haar. Als hun dochter een vondeling blijkt te zijn staat Li Yidou niets meer in de weg een relatie met zijn schoonmoeder aan te gaan. Het laatste verhaal gaat over Alcoholstad dat de hoofdstad is van Alcoholica. Het is een geschiedenis van het centrum van de alcoholcultuur.
In zijn brieven vraagt Li Yidou voortdurend aan Mo Yan om het eerste Apendrankfestival bij te wonen. In het laatste hoofdstuk komt het er van en arriveert de schrijver in Alcoholstad. Mo Yan bestaat uit twee personages die elkaar becommentariëren: De geest van Mo Yan en zijn omhulsel. Li Yodou haalt hen van het treinstation af en als hij Mo Yan aan Yu Yichi voorstelt krijgt hij spijt dat Ding hem in zijn verhaal heeft vermoord. Mo Yan wordt in de watten gelegd en moet natuurlijk ook regelmatig met 3 glazen tegelijk proosten. Na een bad met alcohol volgt een officiële lunch met de hoogwaardigheidsbekleders. Mo Yan moet te vaak toasten en wordt compleet dronken. De laatste pagina’s bestaan uit een ongearticuleerde woordenbrij waarin Mo Yan en Ding Gou’er in elkaar opgaan en de dood in de latrine vinden.

Mo Yan zou wel eens de Shostakovich (1906-1975) van de literatuur kunnen zijn. De Russische componist woonde een lang leven met een koffertje op de gang voor het geval hij opgepakt zou worden. Zijn componeren staat in het teken van een verplettende staatsdictatuur die de maatschappij wil vormen. Voor Mo Yan (1955) geldt in feite hetzelfde. Mao’s culturele revolutie woedde van 1966 tot 1976 en viel samen met zijn vormende jaren. Hij werd schrijver en nam het pseudoniem Mo Yan aan. Dat betekent Spreek Niet en geeft wel aan hoeveel ruimte hij zich zelf gaf. Lange tijd zag men hem als een kleurloze meeloper tot hij op de betrekkelijk jonge leeftijd van 57 in 2012 de Nobelprijs voor de literatuur kreeg. Hij had toen al 11 romans had geschreven en heeft daarna vreemd genoeg niets meer gepubliceerd.  Was de Nobelprijs zijn kus des doods of heeft de Chinese overheid hem op een subtiele manier het zwijgen opgelegd? Die prijs veranderde zijn positie van een kleurloze meeloper naar een bekende Chinees met een stem en de verantwoording te schrijven. Dat hij kan schrijven bewijst hij in ieder geval met De Wijnrepubliek. In 1992 was hij pas 36 en op de top van zijn kunnen. Zijn meesterschap blijkt uit iedere onvoorspelbare wending van zijn verhaal. Hij weet zijn absurditeit perfect te doseren en houdt de lezer voortdurend bij de les.
De ontknopingszinnen zijn uit hun verband getrokken en moeilijk te beoordelen maar geven wel een indruk van de alcoholroes.
Zonder toeval geen roman. 130
 
Er ging in zijn schedel een bovenlicht open en zijn bewustzijn veranderde in een demonische vlinder, zo groot als een maanvormige waaier, die begon te dansen in het maanlicht. 186
 
Die veelkleurige vlinder zag er dodelijk vermoeid uit, zijn vleugels hingen al zwaarder en zwaarder neer, alsof de ochtenddauw ze omlaag drukte. Ten slotte ging hij met tragisch trillende voelsprieten op een van de armen van de kroonlichter zitten en keek toe hoe zijn skelet log op de vloer neerstortte. 186
 
Hij bedacht zich hoe de lange geschiedenis van mannen en vrouwen eigenlijk heel veel op de geschiedenis van de klassenstrijd leek: nu eens waren de mannen aan de winnende hand, dan weer de vrouwen , maar uiteindelijk is de overwinnaar de overwonnene. 217
 
Mijn blik viel onmiddellijk op vier woorden die in de lessenaar waren gekerfd: IK WIL JE NEUKEN. Als vier stenen die in mijn geest plonsden en steeds groter worden rimpels teweegbrachten. Ik voelde mijn lichaam gevoelloos worden; mijn benen begonnen te trillen alsof ik een kikker was die elektrische schokken krijgt toegediend, terwijl een bepaald plekje in het midden zijn kopje opstak…. 234
 
Al die vraagtekens zijn als vishaakjes waaraan ik bungel en die van mij een kogelvis hebben gemaakt die zo stom is geweest om in goed viswater terecht te komen. Ze kwellen mij evenzeer als ze u, beste lezer, vervelen. 269
 
…. ik wist dat diep in de geest van de oude man een onschuldig diertje school – noch hond noch kat, maar met een gladde glanzende vacht, een klein snuitje, grote oren, een felrode neus en korte pootjes. ………. Ik dacht dat ik dat kleine diertje uit zijn lichaam zag springen, ronddartelen en een meter boven zijn hoofd door de lucht langs banen als zijdedraden glijden. Ik voelde me oprecht blij, ik voelde me oprecht verheugd, ik voelde me oprecht extatisch, ik voelde me oprecht opgetogen.       305
Ik ontdekte De Wijnrepubliek voor € 1 in een kringloopwinkel. Alsof het zo moet zijn vind ik in na lezing opnieuw voor € 1 Het rode korenveld (1986) in een andere kringloopwinkel. Het is de bekendste roman van Mo Yan dankzij de verfilming in 1987 door Zhang Yimou. Met veel enthousiasme begin ik en raak snel onder de indruk van het familieverhaal waarin de personages met overgrootvader/moeder en vader/moeder worden geduid. De handeling centreert zich in het geboortedorp dat door korenvelden is omgeven en het strijdtoneel is voor de gewelddadigheden uit 1939 tussen Chinezen en Japanners. Mo Yan is weer virtuoos met zijn tijdsprongen naar de voorgeschiedenis maar kan me toch niet tot het einde bij zich houden. Pas bij het bekijken van de gelijknamige film begrijp ik waarom ik afdwaalde. De regisseur heeft (samen met de scenarioschrijver Mo Yan) het verhaal chronologisch gemaakt en anders dan in de roman grootmoeder centraal geplaatst. Maar vooral omdat die rol door de oogverblindende 22 jarige Gong Li wordt gespeeld is er geen houden meer aan en wint de film nu eens van het boek.
 

Kenzaburo Oë – Voetballen in 1860

Mijn eerste kennismaking met Kenzaburo Oë was in 2005 toen zijn roman Het eigen lot (1964) onderdeel was van de Volkskrantserie Nobelprijswinnaars. Het werd geen genoegen omdat ik niet open stond voor zijn wrange boodschap. We volgen in gedurende 2 dagen een 27-jarige man die een kind met een hersenafwijking heeft gekregen. Hij trekt na de bevalling in bij een schoolvriendin, drinkt te veel whisky, pleegt overspel en raakt zijn baan kwijt. Hij kiest uiteindelijk toch voor het leven door zijn kind te laten opereren en verenigt zich weer met zijn vrouw en schoonfamilie. In ons tolerante Nederland zou zo’n complexe ervaring al  moeilijk te verdragen zijn maar in het stroeve Japan van de jaren 1960 gaat de pijn dieper. De vader is niet bij de bevalling aanwezig en kan de eerste dagen alleen via zijn schoonmoeder met zijn vrouw communiceren. Hij is ‘gevangen in de scharen van een ontzagwekkende kreeft van vermoeidheid’ en koopt bij het eerste bezoek aan zijn vrouw grapefruits terwijl hij weet dat ze die niet lust. ‘Ook zij was op weg naar de noordpool van de ontevredenheid’.

De roman is voor een groot deel ontstaan uit de eigen ervaring van de schrijver. Kenzaburo Oë (1935) kreeg in 1963 een zoon met een hersenafwijking en hij noemde het een ‘monster’. Dankzij een operatie bleef zijn autistische en zwakzinnige zoon in leven en het kostte Oë veel moeite om een band met hem op te bouwen. De werkelijkheid blijft grilliger dan de fantasie en Hikari ontpopt zich tot componist van westerse klassieke muziek en verdient met zijn cd’s een veelvoud van het inkomen van zijn beroemde vader. De crisis was voor Oë een keerpunt in zijn literaire carrière en het is best mogelijk dat hij er in 1994 zijn Nobelprijs aan te danken heeft. Hij is de 2de Japanner die na Yasunari Kawabata (1899-1972) de Nobelprijs won. Haruki Murakami (1949) moet dat nog maar voor elkaar krijgen.

Voetballen in 1860 staat al sinds 1998 in mijn kast en ik dacht na de eerste moeizame kennismaking dat het niet meer gelezen zou worden. Gelukkig is mijn leesimpuls door voornemens te beïnvloeden en vanwege een naderende Japan vakantie probeer ik het nog eens. De dikke roman van 450 pagina’s is in 1967 vlak na Het eigen Lot geschreven en de hoofdpersoon lijkt dezelfde te zijn. De afstotende stijl en nare personages ontvang ik dit keer met meer begrip en ik raak zelfs gefascineerd door Oë’s eerlijkheid. Ik heb ondertussen geleerd de Japanse cultuur intuïtief te ondergaan zonder Westerse bril. Dit geldt vooral voor het trotse Japan dat in de jaren 1960 onder de Amerikaanse plak zat en bezig was het verlies in WW2 te verwerken. Opnieuw heeft het hoofdpersonage een geestelijk gehandicapt kind en is de relatie met zijn echtgenote verstoord omdat zij de oplossing in de alcohol heeft gezocht. Het centrale thema van Voetballen in 1980 is wel nieuw en gaat over de rivaliteit tussen broers. De praktische Mitsu onderschat zijn idealistische jongere broer Taka en deze wil zijn ondergeschiktheid op alle manieren vergelden.

De 27 jarige Mitsu verkeert in een mentale crisis sinds de zelfmoord van zijn beste vriend die zich spiernaakt met oranjerood geschilderd hoofd en een komkommer in zijn anus heeft opgehangen. Hij wordt midden in de nacht wakker en loopt in pyjama naar de tuin waar hij op de bodem van een kuil mijmert over zijn jongere broer Taka die door Amerika zwerft. Zijn dronken vrouw Natsu slaapt binnen haar alcoholisten roes uit naast het slappe lichaam van hun geestelijk gehandicapte zoontje. De melkman onderbreekt zijn overpeinzingen en Mitsu keert terug naar bed. Het verhaal komt op gang als Taka onverwacht terugkeert uit Amerika en het bijgebouw van hun geboortehuis verkoopt aan de plaatselijke supermarkt keizer. De 2 broers en echtgenote reizen naar hun afgelegen geboortedorp Shikoku om daar een nieuwe start te maken. Ze worden vergezeld door de tieners Hoshio en Momoko die Taka adoreren als hun geestelijk leider.

Het geboortedorp ligt diep in het dal en is omringd is door een donker dreigend bos dat langzaam het dal weer in bezit neemt. De brug over de rivier is al maanden geleden verwoest en niemand neemt de moeite hem te herstellen. De broers behoorden tot de elite en bewoonden een landhuis dat tussen de dorpskern en het bos staat. Hun voormalige huishoudster Jin woont nog op het landgoed en is veranderd in de dikste vrouw van Japan. De dorpsbewoners voorzien haar van eten en willen daarmee het kwaad afweren. Op de plek waar vroeger de Koreaanse gastarbeiders woonden is door de jongeren een kippenfarm opgericht. Als de kippen plotseling massaal sterven moet Taka met de eigenaar onderhandelen. Het dorp wordt geteisterd door de lijkstank en Mitsu herinnert zich steeds meer flarden van het verleden. Hoe zijn vader aan het begin van WW2 overleed op de weg terug vanuit China, hoe zijn broer werd vermoord door de Koreaanse gastarbeiders en hoe in 1860 zijn overgrootvader werd belaagd door zijn idealistische broer.

Taka organiseert de jongeren van het dorp door een voetbalteam te starten. Als coach kan hij zijn invloed uitbreiden naar spiritueel leider. Ter inspiratie neemt hij een voorval uit 1860 toen een legertje jongeren onder leiding van de broer van zijn overgrootvader in opstand kwam tegen het gezag. Natsu, de vrouw van Mitsu, komt langzaam uit haar alcoholroes en verzorgt de lunchpakketjes voor het voetbalteam. Als haar sympathie duidelijk bij Taka komt te liggen besluit Mitsu te vertrekken. Hij wordt echter door de invallende winter tegengehouden en betrekt de toren waar zijn overgrootvader zich verschanste tegen de opstand van zijn broer. Hij werkt daar aan het vertaalwerk dat hij met zijn overleden vriend was begonnen. Zijn vrouw komt steeds meer in de ban van haar zwager en slaapt al onder dezelfde deken.

Het voetbalteam refereert ook aan het legertje Koreaanse gastarbeiders dat vlak na WW2 uit wraak hun broer S heeft vermoord. Ze waren als gastarbeiders gekomen en nu heeft een van hen zich opgewerkt tot de Supermarktkeizer die met zijn supermarkt de complete middenstand heeft doen sluiten. Op aangeven van Taka begint de bevolking met het plunderen van die supermarkt en ze krijgen daardoor hun waardigheid terug. De band tussen Taka en zijn schoonzus Natsu wordt zo intiem dat ze zelfs met elkaar willen trouwen. Maar dan bekent Taka opeens de moord op een dorpsmeisje. Mitsu gaat op onderzoek en ontdekt dat zij echter bij een verkeersongeluk is omgekomen. Taka wilde de martelaarsrol op zich nemen en bekent bij confrontatie dat hij als tiener jarenlang een incestueuze verhouding had met zijn achterlijke zus. Toen ze zwanger werd heeft ze uit paniek zelfmoord gepleegd. Taka ziet geen uitweg meer en schiet zich door het hoofd. Natsu blijkt zwanger van Taka te zijn en besluit haar kind te houden. Ze kan Mitsu niet vergeven dat hij zo weinig begrip toonde voor zijn broer maar besluit wel om bij hem te blijven.

Sinds ik me serieus in de Oost-Aziatische cultuur verdiep heb ik geleerd dat je er vooral niet met de rationele westerse bril naar mag kijken. Onze manier van mooischrijverij is te perfect en de auteur mag zich niet overbodig maken door een autonoom kunstwerk te scheppen. Uitsluitend esthetische schoonheid wordt niet nagestreefd omdat het eindresultaat dan geen waarnemer meer nodig heeft. Onze geschakelde literaire zinnen zijn in hun ogen kil en onpersoonlijk omdat de menselijke schaal in die perfectie verloren gaat. Kenzaburo Oë past goed in dit Oost-Aziatische plaatje. Zijn weerbarstige zinnen zijn zonder logica en geven juist daardoor een direct inkijkje in de geest van de schrijver en zijn personages. We beleven de crisis van Mitsu van heel dichtbij en delen al snel zijn nihilistische wereldbeeld. Mitsu staat vermoedelijk dicht bij Oë zelf en zijn droge observaties komen overeen met de schaamteloos eerlijkheid van de auteur. We volgen hem met verbazing door zijn beklemmende gedachtenlabyrint en de grimmigheid is zo volhardend dat onze afkeer na verloop van tijd omslaat in bewondering. In die sterke realiteitszin ligt dan ook de grote kracht van Oë. Zijn instelling is authentiek Japans maar doet ook aan westerse klassiekers denken. De broeierige sfeer van het door bossen ingesloten dorp lijken op het diepe zuiden van William Faulkner. De bijna religieuze opzet van de voetbalclub met hun coach komt zo uit Dostojevski en het dreigende onheil met de bloederige doden levert beelden uit Roberto Bolzano’s 2666. Het zijn alle drie geen mooischrijvers en juist daardoor creëren ze hun eigen wereld. Uit de ontknopingszinnen blijkt dat bij Oë hetzelfde gebeurt; er ontstaat een beklemmende sfeer die niet snel wordt vergeten. Alleen de invloed van de vertalers Noriko de Vromen en Frans Montens is als altijd moeilijk te bepalen.

In de gelaatsuitdrukking van mijn broer, die zwijgend naar mij geluisterd had, zag ik een oprecht verdriet dat soepel in de plooien van mijn gevoelens gleed en daar niet werd afgestoten. 58

Het was dus niet het soort dronkenschap geweest waarbij zelfs in de ogen en op de huid de ingang van een wenteltrap zichtbaar werd die tot de angstaanjagende duisternis van haar innerlijk leidde. ……….Traag maar vastberaden daalde ze over de wenteltrap in haar innerlijk af waar het naar goedkope whisky rook en waar het beklemmend en klam van zwoelte was. 125

Alsof ze het vlees uit een schelp peuterde, bracht mijn vrouw mijn zelfrespect dat ik zo klein mogelijk had samengeperst en op een onopvallende plaats had weggeduwd, aan het licht om het te kwetsen. En ik merkte hoe ik in een hevige woede ontstak. 272

Maar de slaap had moeite zich meester te maken van mijn hoofd, dat als een diepe pan was: vol kookdampen en opdrijvend loog. 276

In verwarring gebracht hield de jongen zijn hoofd dat op een houten hamer leek scheef opzij, verhardde het armzalige gelaat met zijn lelijke hoekigheid tot een steeds grotere afwezigheid van uitdrukking en hulde zich in stilzwijgen. Ik werd overvallen door een hysterische irritatie. 300

Maar mijn lichaam dat zo zwaar was als een leren zak vol water werd op dat moment aangetrokken door een honingzoete slaap die het volmaakte tegendeel was van de de hardnekkige slapeloosheid van vlak daarvoor. 345

Uit het dal steeg niet het minste geluid op. En al was er geluid, dan werd het onmiddellijk geabsorbeerd door de dikke laag sneeuw die nog steeds over het woud lag. De wegdooiende sneeuw was door de koude lucht weer opgevroren. Bovendien voelde ik dat er tussen de hoge, roetzwarte muren van het woud rondom het dal scherpe geluiden heen en weer kaatsten met een trillingsfrequentie die voor het menselijk gehoororgaan te hoog was. Het leek wel het geschreeuw van een reusachtig monster dat met zijn lichaam languit het holle dal kronkelend afdekte. 372

Plotseling werd ik overvallen door een niet te stoppen hoestbui. Ik had het gevoel dat er overal op het slijmvlies van mijn keel van mijn luchtpijp tot in mijn longen een korrelige, rode uitslag kwam opzetten. Ik had koorts. Vandaar dat ik het afschuwelijke gevoel had dat mijn vlees overal in mijn lichaam van de botten werd afgetrokken. 373

De dode man kreunde diep. Ik knielde neer in het bloed en betastte Takashi’s opengereten helrode gezicht, maar moest vaststellen dat hij dood was. En het misleidende gevoel dat ik doden als deze al verschillende keren gezien had, en nog wel in dit bijhuis, nam bezit van mijn hoofd. 379

In de ruimte die ontstaan was doordat mijn heet opgezwollen hersenen van voor het slapen gaan weer ineengeschrompeld waren, was het overvol van droefgeestige, neerslachtige gevoelens. Mijn hoofd daarentegen was zo genadeloos helder dat het akelig kon heten. 380

En ze barstte overvloedig in tranen uit alsof ze de harde schaal van haar haat brak en de zachte dooier van droefheid eruit liet lekken. 403

Murasaki Shikibu – Het verhaal van Genji – 1008

Shikibu Murasaki is al 1000 jaar de grootste schrijver van Japan. Over haar leven is maar heel weinig bekend. Ze is omstreeks 975 in Kyoto geboren en behoorde tot de jongere tak van de Fujiwara clan. Na een opvoeding met Chinese klassiekers en Japanse letterkunde trouwde ze omstreeks 998 en werd na de geboorte van 2 dochters al snel weduwe. Stilletjes begon ze aan haar Genji epos en werd daarna door keizerin Akiko overgehaald om hofdame te worden. Ze stierf rond 1015 en is dus 40 jaar oud geworden. Haar Genji Monogatari werd als feuilleton geschreven en pas na samenvoeging van de episoden bleek dat het de grootste roman van de Japanse literatuur was. Het dikke boek van 1400 pagina’s werd in 2013 door Atheneum uitgegeven als Het verhaal van Genji. Hoofdstuk 1 t/m 44 gaan over het leven en de liefdes van Genji. De daarop volgende 10 hoofdstukken zijn mogelijk later toegevoegd en behandelen de lotgevallen van zijn zoon Kaoru. Ik heb erg genoten van het Genji deel en vooral vanwege de door hem beminde vrouwen. Jammer genoeg kon ik na die 1000 pagina’s mijn fascinatie niet vasthouden om na zijn overlijden met zijn minder succesvolle zoon Kaoru door te gaan.

Vertaler Jos Vos heeft een goed leesbaar verhaal geproduceerd waar de 1000 jaren tijdsverschil totaal niet opvallen. We stappen recht in de harten van de personages en leven mee met hun geluk en lijden. Net als bij de Makioka zusters uit Stille Sneeuwval van Junichiro Tanizaki lijkt het begin onbeduidend. Pas bij geducht doorlezen verandert die vrijblijvendheid in een verslavende roes. Het lukt Genji maar niet om zijn lust te beteugelen en hij heeft in het #me-too loze tijdperk heel wat te verstouwen met zijn vrouwen. Die luxe problemen zijn het ontroerendst in hun hartverscheurende tragische tederheid. Hoe is het mogelijk dat het intermenselijk contact na 1000 jaar nog steeds zo nabij staat? Zeker als daarop de Japanse cultuur zo weinig gemeen heeft met onze westerse wereld. Die 1000 pagina’s zijn daarom echt nodig om het heden te verlaten en in te dalen in de levens van die bijzondere vrouwen.

De bastaardprins Genji is de perfectie zelve. Hij is knap, innemend en meester in alle kunstvomen. Hij danst als de beste, vertaalt zijn gevoelens in 5 regelige verzen, speelt perfect op de 13-snarige koto en wint zelfs een schilderswedstrijd. Als alle Japanse mannen in zijn tijd mag hij zijn emoties tonen en huilt herhaaldelijk zijn mouwen nat. Die kwaliteiten zijn tevens zijn zwakte want hij bemint teveel vrouwen en kan ze daarna niet meer vergeten. Genji is de zoon van de keizer en diens favoriete bijvrouw, de Dame uit het Kiri Paviljoen. Als Genji 3 jaar is sterft zijn moeder en de keizer houdt hem bewust buiten het politieke spel omdat hij als buitenechtelijke zoon geen troonopvolger kan worden. Hij wordt opgevoed door de volgende favoriete vrouw van de keizer, Fujitsubo. Als stralend middelpunt van het hof wint Genji met zijn charme ieders sympathie. De vrouwen vallen bij bosjes voor zijn innemend gedrag en ontwapende schoonheid. Hij wordt op 12-jarige leeftijd gekoppeld aan de 4 jaar oudere Aoi nuo Ue die echter te stijf is om hem aan zich te binden. Hij gaat zijn eigen gang en als adolescent ontfermt hij zich over de 9-jarige oogverblindende Murasaki om haar op te voeden voor een latere relatie. Vele vrouwen komen langs en zelfs stiefmoeder Fujitsubo valt voor zijn charmes. Zijn geduld is niet groot en tegen zijn voornemen in slaapt hij te vroeg met Murasaki. Zij is kwaad en teleurgesteld als ze zich realiseert dat hij zijn voogdij besmet heeft.

Als de keizer sterft wordt hij opgevolgd door Genji’s halfbroer Suzaku en komt de macht in handen van diens moeder Kokiden. Genji wordt verbannen naar de kust waar hij zich instelt op jaren van eenzaamheid en weemoed. Hij kan de eenzame nachten niet aan en begint een affaire met de Dame van Akashi. Als Kokiden sterft haalt zijn halfbroer hem terug naar het hof voor ambtelijke functies. Genji laat de Dame van Akashi zwanger achter en keert terug naar Murasaki. De keizer (Suzaku) sterft en wordt opgevolgd door Reizei die de buitenechtelijke zoon is van Genji en Fujitsubo. Hij lijkt erg veel op Genji maar niemand heeft door dat het zijn zoon is. Genji’s ambtelijke loopbaan verloopt voorspoedig maar de verbanning heeft zijn vertrouwen geschaad. Hij vreest dat het goede leven niet eeuwig kan duren en bouwt vleugels aan zijn paleis voor de vrouwen waar hij relaties mee heeft gehad. De Dame van Akashi wil daar echter niet met zijn dochtertje intrekken en betrekt een villa in de buurt. Murasaki is geprikkeld vanwege de vele concurrentes maar wordt door Genji overgehaald om zijn dochtertje op te voeden. Ook de dochter van de paleisminister Tamakazura komt onder voogdij van Genji. Hij voedt haar op als dochter maar kan zich opnieuw met moeite beheersen en hij verliest soms zijn vaderlijke gevoelens. Zij wordt er ongedurig van en reageert afwijzend op de avances van Kashiwagi, de vriend van Genji. Ook Genji’s zoon Yugiri (van Aoi nuo Ue) ontdekt de vrouwen en raakt steeds meer gefascineerd door Murasaki en Tamakazura. Hij ziet per ongeluk verboden flitsen van hun grote schoonheid en kan hen niet meer vergeten. Hij vergeet bijna zijn jeugdvriendin Kumoi no Kari die een andere dochter van de paleisminister is en als onhandelbaar meisje door haar zuster de keizerin in het gareel wordt gebracht.

Op pagina 700 is Genji 40 jaar oud en op de top van zijn kunnen. Hij is afgetreden premier en krijgt de rechten van een voormalige keizer. Zijn geheime zoon bij Fujitsubo is keizer Reizei geworden, zijn publieke zoon Yugiri bij Aoi nuo Ue is adviseur van de premier en zijn dochter bij de Dame van Akashi wordt gemalin van de kroonprins. De afgetreden keizer trekt zich terug uit het publieke leven en geeft zijn derde dochter Minamoto (de derde prinses) in voogdij aan Genji. Murasaki krijgt genoeg van de vrijzinnige Genji en wil zich terugtrekken uit het leven voor een devotionele oude dag. Genji wil haar niet missen en Murasaki sterft van verdriet na een maandenlang ziekbed. Hij is ontroostbaar tot een boze geest van een jaloerse liefde haar weer tot leven wekt. Tegelijkertijd wordt zijn vriend Kashiwagi verliefd op Minamoto en dringt tegen haar wil haar kamer binnen. Zij verzet zich tevergeefs en Genji neemt het haar kwalijk dat ze zijn vertrouwen beschaamde. Kashiwagi wordt ziek van teleurstelling en vertoont zich niet meer in het openbaar. Als Minamoto bevalt van de zoon Kaoru (van Genji of Kashiwagi) wil ze non worden. Kashiwagi wordt nog zieker en sterft tenslotte. Tot slot wordt Yugiri onverwacht verliefd op de weduwe van de afgetreden keizer. Zij geeft zich niet gewonnen maar krijgt toch de schande en Yugiri wordt haar beschermheer. Zijn vrouw Kumoi no Kari is hier natuurlijk niet gelukkig mee.

Murasaki sterft voor de tweede keer sterft en Genji is een jaar lang ontroostbaar. Hij kan haar niet vergeten en wil zich terugtrekken uit de wereld. Hij verbrandt haar brieven omdat hij ze niet meer kan lezen. Het hoofdstuk over zijn dood is nooit geschreven en we schieten in hoofdstuk 42 ineens 8 jaar vooruit en leren dat hij na 3 jaar afzondering is gestorven.

In samenvatting is Het verhaal van Genji een opeenstapeling van namen en een herhaling van zetten. Uitgesmeerd over 1000 pagina’s worden de personages uniek en Genji is de overduidelijke spil. De vrouwen en hun lijdzame liefdes geven het verhaal kleur en stevigheid. Het zijn vrouwen zonder openbaar leven die verborgen blijven achter de kamerschermen. Een man ziet dus niet op wie hij verliefd is en zijn fantasie wordt tot het uiterste geprikkeld. Die vrouwen mogen hun lot amper zelf bepalen en ondergaan het dilemma van liefde tegenover eerbaarheid. De 3 belangrijkste dames (Murasaki, Minamoto (de derde prinses) en Tamakazura) zijn vertederend tragisch in hun afhankelijke en toch eigenzinnige rol. Als een man een blik van hen opvangt zijn zij en niet hij de schuldige. Als een man de nacht voor hun deur slaapt zijn zij degene die van overspel verdacht worden. Alleen binnen een relatie kunnen ze invloed uitoefenen en hun gunsten weigeren. Maar ook daar zijn ze afhankelijk van de oprechtheid van de man. Naast het 3-tal zijn er veel meer vrouwen die meestal geen naam krijgen en naar hun functie of woonplek worden genoemd. De Dame uit het dorp van de vallende bloesems, de Dame van de ochtendmaan, de Dame uit Akashi, de Kroonprinses, de Derde Prinses, de Prinses van de Grasklokjes. De mooiste naam is de Koninklijke Toevlucht voor de echtgenote die voor een opvolger heeft gezorgd. De Prinselijke toevlucht is de weduwe van een voormalige kroonprins.

Murasaki heeft haar geloofwaardige personages en hun lotgevallen totaal uit haar duim gezogen. Dat is ook de reden waarom Cees Nooteboom de roman in het nawoord met Marcel Proust vergelijkt. Maar de hofwereld die ze beschrijft is natuurlijk wel overeenkomstig de werkelijkheid. We zien een rijke en zorgeloze paradijselijke speeltuin waar men van feest naar herdenking trekt en ogenschijnlijk geen ellende heerst. Het enige nadeel is dat men niet oud wordt en al met 40 jaar het einde voelt naderen. Murasaki heeft de oorlogen met de slachtoffers buitengesloten. Want juist de Japanse middeleeuwen staan bol van rivaliserende clans en heroïsche samoerai veldslagen. Aan het hof van Murasaki krijgen de mannen geen vechtonderricht maar bekwamen zich meer in vrouwenzaken. Ze communiceren met gedichten, huilen schaamteloos hun kimono mouwen nat en uiten hun emotie in dansvoordrachten of concerten op de biwa of de 6-, 7- en 13-snarige koto. Een betoverende sprookjeswereld waar het voor ons lezer na 1000 jaar nog best vertoeven is.

Voor Stille Sneeuwval van Tanizaki zie:

https://erikgveld.wordpress.com/2017/03/03/junichiro-tanizaki-stille-sneeuwval-19461948/

ontknoping 22

Opinions are like assholes, everybody has one.
Clint Eastwood als Dirty Harry in The dead pool (Buddy Van Horn 1988)
I’m one, you’re one, you do the math.
Brad Paisley – cd American Saturday Night 2009
Yes! Fashion never stops.
Rugtekst op jasje van een meisje.
Imagination is funny,
It makes a cloudy day sunny.
Frank Sinatra
We may have come on different ships,
But we’re in the same boat now.
Sarah van Sonsbeeck – Oude Kerk Amsterdam
Remember life is more than fitting in your jeans.
Ed Sheeran – What do I know.
Een boek moet de bijl zijn die de bevroren zee in ons aan stukken slaat.
Franz Kafka
Afval bestaat niet.
Tekst op een vuilnisauto.
Bloed, zweet, geen tranen.
Motto van Neelie Kroes.
Days are like women,
Each is a goddam present
And they always end up leaving you.
John Carpenter – Assault on precinct 13.
De computer is de fiets van de geest.
Steve Jobs film van Danny Boyle (2015)
Tradition ist die Weitergabe des Feuers und nicht die Anbetung der Asche.
Gustav Mahler
Everybody steals, that’s why they invented locks.
Jason Statham in Parker (Taylor Hackford 2013)
De wereld is een boek. Wie niet reist, leest één bladzijde.
Augustinus – Crossroads – Allard Pierson Museum.
Als je je beperkingen kent, kun je daarbinnen onbeperkt te werk gaan.
Jules Deelder
I’ve been trying to turn my broken heart to stone.
Margo Price van cd Midwest Farmers Daughter  2016
Van de roos komt de doorn
Van de doorn komt de roos.
Uit Fading gigolo (John Turturro 2013)
Wie visie heeft moet naar de oogarts gaat.
Helmut Schmidt
Een held is iemand die straffeloos onvoorzichtig is geweest.
Max Pam citeert W.F. Hermans.
Blessed are those who expect nothing.
Stedelijk Museum Amsterdam – citaat uit muurtekening van Jan Rothuizen

Marcel Proust 7 – De tijd hervonden – 1927

De tijd hervonden is het 7de en laatste deel van Op zoek naar de verloren tijd van Marcel Proust (1871-1922). Nederland heeft 70 jaar op de vertaling moeten wachten en kreeg toen nog maar een half boek. Pas 2 jaar later in 1997 had vertaalster Therese Cornips haar klus geklaard. Ze kon er niet genoeg van krijgen en ging meteen door met de eerste delen die door anderen al waren vertaald. Ik kocht de twee laatste delen tegelijkertijd in 1998 en heb 20 jaar op betere leestijden gewacht. Een verzamelaar wil compleet zijn en voor de mooie omslag ontwerpen van Wout Muller geldt dat zeker. Een van de redenen van het lange wachten met lezen waren de grote tussenpozen waarin de Nederlandse delen door de Bezige Bij zijn uitgegeven. In de 27 jaar tussen de verschijning van het eerste deel uit 1972 en het laatste deel uit 1999 ben je een compleet andere lezer geworden en is veel van het voorafgaande vergeten. Het opsplitsen in kleinere delen heeft ook zijn voordelen gehad. Ik kreeg daardoor de tekst in 16 hapklare brokken aangereikt en heb nooit de verlammende werking van de totale roman ondergaan. Pas na afloop kwam ik ertoe om de verrassende pagina-som te maken:

(198+243+57)+(230+198+165)+(315+294)+(180+197+154)+(184+240)+294+(203+172)= 499+593+609+531+424+294+375 = 3325 pagina’s.

Met mijn huidige Proust kennis over zijn lange weerbarstige zinnen zou ik niet de moed hebben verzameld om aan de 3325 pagina’s te beginnen. Rekenkundig is het leesproces nog wel te overzien. Met mijn tempo van 20 pagina’s per uur zou ik in 170 uur of 4 werkweken het einde halen. Voor een professioneel lezer is dat goed te doen. Een werkende huisvader met een beschikbaar leesbudget van gemiddeld 1 uur per dag komt al snel uit op een half jaar. Ik heb het nooit kunnen uitproberen want het verzameld werk was bij mij niet voorhanden. Op zoek naar de verloren tijd is met voorsprong mijn grootste roman ooit en twee keer zo dik als Oorlog en Vrede. Met 35 regels per pagina van gemiddeld 11 woorden komt het totaal uit op 1.280.125 woorden.

Om te controleren of Proust nog steeds mijn beste schrijver ooit is nam ik me 7 jaar geleden voor om jaarlijks één deel te herlezen. Tijdens het lezen van een volgend deel bewerkte ik steeds mijn aantekeningen van het voorgaande deel tot een blog. Die samenvattende stap zorgde voor de continuïteit en is een van de redenen waarom ik nu wel het einde haal en met 2 blogs vlak na elkaar eindig.

Marcel is in Méséglise (Normandië) op bezoek bij Gilberte. Hij wandelt met haar de rondjes (de kant van Swann en de kant van Guermantes) uit zijn jeugd en praat over het vermeende overspel van haar echtgenoot Robert de Saint-Loup. Hij is in geaardheid zijn homofiele oom Charlus achterna gegaan en heeft een verhouding met de violist Charlie Morel. Op zijn kamer leest Marcel in een dagboek van de Goncourt een passage waarin deze zijn bezoek aan de salon van Mme Verdurin beschrijft. Het is voor Marcel een terugblik op zijn kringetje van vroeger maar nu ligt het accent op de culturele rijkdom van de salon, het exquise eten en de eruditie van de gasten. De saaie mensen uit zijn herinnering blijken opeens veel meer om het lijf te hebben en hij beklaagt zich dat hij toen niet kon zien wat er werkelijk plaatsvond.
Marcel vertrekt voor 2 jaar naar een verpleeghuis voor zijn astma en keert in 1916 terug in Parijs dat onder invloed van de oorlog is. Mme Bontemps en Mme Verdurin zijn de nieuwe leading ladies en hebben hun salons en kleding vereenvoudigd om met de frontsoldaten mee te leven. Hij bezoekt Mme Verdurin en ontmoet daar Andrée die ondertussen getrouwd is. Ook Gilberte en Saint-Loup zijn aanwezig en hij ziet voor het eerst de Saint-Loup kant van de Guermantes familie. Saint-Loup is te goed opgevoed om te verklaren dat hij moeite doet om zijn deel aan de oorlog bij te dragen. Marcel begrijpt dat homoseksuelen worden aangetrokken door de mannenwereld van het leger waarin heldhaftigheid bepalend is. Als om 21:30 de straatverlichting uitgaat beschrijft hij een nachtelijke luchtgevecht boven Parijs als een Wagner opera waarin het luchtalarm de Walkure roep slaakt en de vliegtuigen de Walküren spelen.
Marcel ontmoet op straat Baron de Charlus en ontdekt dat deze zichzelf door zijn eigengereide gedrag steeds verder buiten de maatschappij plaatst. Vanwege zijn Beierse voorouders wordt hij zelfs verdacht van Duitse sympathieën. In een pagina lange monoloog hoort hij zijn oorlogs fantasieën aan en mengt die met zijn eigen associaties over Mme Verdurin en columnist Brichot die uit haar gratie is geraakt. Als ze afscheid nemen merkt Marcel dat hij te ver van het centrum is om nog naar huis te lopen. Hij wil eerst uitrusten en vindt een afgelegen hotel dat een bordeel blijkt te zijn. Hij huurt een kamer, gaat op onderzoek uit en vindt Charlus vastgebonden op bed in een SM scene. Het hotel blijkt door hem gekocht en wordt beheerd door Jupien als een wereld waarin mannen door mannen aan hun gerief geholpen. Charlus klaagt erover dat de pijnigers hun spel niet serieus spelen en ongeloofwaardig zijn. Jupien verbergt Marcel en laat hem ongezien naar huis vertrekken.
Het is Saint-Loup gelukt om aan de strijd mee te doen en hij sneuvelt 2 dagen na zijn terugkeer van het front als hij de aftocht van zijn manschappen dekking geeft. Marcel is geschokt dat juist zijn beleefde vriend, die de Duitsers niet eens haat, gedood wordt.
Hij wordt opnieuw voor een paar jaar opgenomen in een kliniek alvorens hij weer terugkeert in Parijs. Sterk twijfelend aan zijn schrijverschap zoek hij vertier op een matinee van de Prins van Guermantes. Ze wonen in een nieuw paleis en hebben voor Marcel daarmee hun distinctie verloren. Voor de deur ontmoet hij opnieuw Charlus die een paar beroertes heeft gehad en grijs is geworden. Zijn tijdelijke blindheid is gelukkig verdwenen en hij leeft nog steeds alleen maar voor zijn seksuele pleziertjes.
Deel 1 eindigt met een laatste zin die een ware cliffhanger is:
Soms komt op het moment dat alles ons verloren lijkt een vingerwijzing die ons redden kan; je hebt aan alle deuren geklopt die loos zijn, de enige waar je door naar binnen kunt en waar je eeuwig tevergeefs zoeken zou, daar stoot je op zonder het te weten, en hij gaat open.
Marcel struikelt bij het binnengaan van het Guermantes hotel over 2 ongelijke straatklinkers en krijgt een ‘Madeleine’ ervaring waarbij hij in gedachten terugkeert naar de St. Marco kerk in Venetië. Zijn moedeloosheid omtrent zijn schrijverschap verdwijnt en hij wil de herinnering tot de bodem uitzieken. De misstap brengt een kettingreactie aan associatieve ervaringen op gang. Als de ober een mes op een bord laat vallen hoort Marcel daarin de hamer van de machinist die in Normandië tegen een treinwiel sloeg. Het snerpende geluid van de waterleiding verandert in een plezierboot die voor het panoramavenster van het strandhotel in Balbec toeterde. Zijn verleden dringt zich eigengereid aan hem op en toont de essentie van zijn belevingswereld. Marcel wil dit inwendige boek ontcijferen en duidt in ellenlange zinnen op soms ondoorgrondelijke pagina’s de ware kunst van het roman schrijven. Juist de normale dagelijkse voorvallen zijn de beste voedingsbodem voor grote inzichtgevende kunst die de ervaringswereld vergroot.
Als de matinee voorstelling is afgelopen betreedt Marcel de salon van de Guermantes en denkt dat er een gekostumeerd bal gaande is waar iedereen zich als bejaarde heeft verkleed. Hij is een tijd weggeweest en realiseert zich dat niet alleen de gasten ouder zijn geworden maar ook hijzelf. Bijna iedereen uit de Verloren Tijd cyclus is aanwezig of wordt besproken. Jonge nieuwkomers willen kennis maken met Marcel en behandelen hem als een oude arrivé. Ze zijn slecht op de hoogte van de vroegere relaties en maken verkeerde gevolgtrekkingen. Mme Verdurin is nadat haar rijke man is overleden hertrouwd met de Prins de Guermantes die weduwnaar was geworden en haar geld goed kon gebruiken. De hertogin de Guermantes blijft een bekorende verschijning maar haar esprit is van een verloren tijd. Haar intieme cirkel is verdwenen en haar status is aangetast door haar interesse in nieuwe kunst. Haar protegé Rachel, de vroegere maîtresse van Saint-Loup, declameert gedichten en is als actrice nu populairder dan de ouderwetse Berma. De hertog de Guermantes heeft een affaire met Odette de Forcheville die daarin haar vroegere maîtresse rol op zich neemt uit de tijd van Swann. Marcel krijgt in gesprekken met Gilberte, Odette en de hertogin de Guermantes nieuwe inkijkjes in het verleden. Hij hoort bijvoorbeeld dat Saint-Loup als vlucht voor het overspel van Gilberte de oorlog zocht en sneuvelde. Als Marcel wordt voorgesteld aan de dochter van Gilberte en de overleden Saint-Loup vloeien alle verledens in elkaar en worden de kanten van Swann en Guermantes samengevoegd.

Marcel verlaat het matinee en maakt zich op weg naar huis zorgen of hem de tijd is gegund om zijn oeuvre te schrijven. Het zal dik als 1001 nacht worden en voornamelijk ’s nachts geschreven. Het wordt een gevecht met zijn zieke lichaam en falende geheugen. Ook realiseert hij zich dat hij juist vanwege deze handicaps nu tot schrijven komt. Hij eindigt zijn verhaal met de herinnering aan het begin van het verhaal toen hij als kind in bed op zijn kamer in Combray wachtte tot zijn ouders Swann uitgeleide deden en zijn moeder voor een nachtkus naar boven zou komen. Hij kan het belletje van het tuinhekje nog horen en constateert dat zijn hele leven in zijn lichaam is opgeslagen. Hij draagt de tijd in zich alsof hij op een berg van tijd staat.

Op 2 februari 2018 lees ik om 8:15 de laatste zin en ben voldaan dat de klus geklaard is. Het lijkt wel of ik voor mijn literatuur examen ben geslaagd en een meerjarenproject heb afgerond van mijn denkbeeldige bucketlist. Het herlezen was een genoegen maar voelde ook als verplichting tegenover mijn beste schrijver ooit. De schrijver die mijn wereldvisie het meest heeft bepaald. Omdat hij al in mijn vormende jaren langskwam is het moeilijk te bepalen hoe groot zijn invloed is. Je weet niet wie je zonder hem zou zijn geworden. Hij toonde me dat de buitenwereld binnen is en niet buiten. Zelfs mijn ogenschijnlijk zo naar buiten gekeerde fotografie is het vastleggen van een interne toestand. Iedere ervaring wordt beïnvloed door de tijd en maakt daardoor een kloppend wereldbeeld tot een illusie. Niets blijft hetzelfde en alles zal slechts kortstondig geduid kunnen worden. Zoals zijn onnavolgbare lange en ingewikkelde zinnen die bij iedere lezing anders uitpakken. Je kunt ieder boek willekeurig open slaan en direct op de taalstroom inpluggen. Iedere zin dwingt tot actief lezen waarbij de concentratie automatisch wordt verhoogd en alle vermoeidheid verdwijnt. Juist in chaotische tijden kan het meditatief werken om je aan zijn therapeutische zinnen over te geven. Zonder Proust was ik heel wat genoegens misgelopen.

Er rest nog één andere leesverplichting. De Man zonder eigenschappen van Robert Musil en dit werk zal eenzelfde behandeling krijgen. Ik zie er nu al naar uit om ieder jaar een van de 4 delen te gaan lezen.

De uiterlijke, reproduceerbare charme van mensen ontging mij dan ook doordat ik niet het vermogen bezat erbij stil te staan, zoals een chirurg die onder de gladheid van een vrouwenbuik de inwendige kwaal ziet waar deze door is aangetast. Al ging ik dan uit dineren, ik zag mijn tafelgenoten niet, want als ik naar hen dacht te kijken was ik hen aan het doorlichten. I- 32
Toen Saint-Loup mijn kamer inkwam was ik hem tegemoetgekomen met dat gevoel van schroom, die indruk van bovennatuurlijkheid, die alle verlofgangers je eigenlijk gaven, zoals je dat ervaart wanneer je tot iemand wordt toegelaten die aan een dodelijke ziekte lijdt, en die toch opstaat, zich aankleedt, nog rondwandelt. I – 76
En zij kwamen dan ook uit niet alleen uit gebieden vandaan die ons onwezenlijk leken doordat wij er uitsluitend via de kranten van hadden gehoord en wij ons niet konden voorstellen dat je aan zulke titanische gevechten had deelgenomen en er maar met een blauwe plek op je schouder uit terugkeerde; het waren de oevers des doods – waar zij weer heen zouden gaan – vanwaar zij een ogenblik in ons midden kwamen, onbevattelijk voor ons, ons met tederheid, schrik en een gevoel van mysterie vervullend, zoals die doden die wij oproepen, die even aan ons verschijnen, wie wij niets durven vragen en die ons trouwens hooguit ten antwoord zouden geven: “Jullie kunt het je niet indenken.” I-77
Men vond hem ‘van voor de oorlog’, ouderwets, want juist diegene die het minst in staat zijn over merites te oordelen zijn degenen die zich om ze te klasseren het meest naar de ordening van de mode richten. I- 88
Hij had de gewoonte gekregen heel hard te schreeuwen als hij sprak, uit nervositeit, uit behoefte aan een uitlaatklep voor indrukken die hij – nooit enige kunst beoefend hebbend – kwijt moest, zoals een vliegenier zijn bommen, al was het midden op het veld, daar waar zijn woorden niemand bereikten, en vooral in de society waar ze eveneens lukraak terechtkwamen, en waar hij uit snobisme, vol vertrouwen, en, kan men zeggen, zo tiranniseerde hij zijn toehoorders, onder dwang en zelfs uit vrees werd aangehoord. I- 125
…….dacht ik weer bij mezelf, merkend hoe de rappe schietspoelen der jaren draden weven tussen herinneringen van ons die aanvankelijk het meest op zichzelf leken te staan, …….. I- 179
Het enige ietwat naargeestige in die kamer van Eulalie was dat je er ’s avonds, vanwege de nabijheid van het viaduct, de jammerkreten van de treinen hoorde. II-22
En zo zit het verleden boordevol negatieven die nutteloos blijven omdat het verstand ze niet heeft ‘ontwikkeld’. II-39
Door de kunst alleen kunnen wij uit onszelf treden, weten wat een ander ziet van dit universum dat niet hetzelfde is als het onze en waarvan de landschappen ons even onbekend zouden zijn gebleven als die wellicht er op de maan zijn. II-39
; en pas later begreep je dat hun die loden schoenen waren aangedaan door de ouderdom. II-81
Zoals bij sneeuw, overigens, leek over het algemeen de graad van witheid een teken voor de diepte van de geleefde tijd, zoals bergtoppen, voor het oog schijnbaar op één lijn met de nadere, toch het niveau van hun hoogte aantonen aan de graad van hun sneeuwwit. II-90
Nu bij de vrouwen de trekken waarin ze zo niet hun jeugd, dan toch hun schoonheid gegrift stond verdwenen waren, hadden zij uitgezocht of er, met wat hun restte, niet een ander gezicht te fabriceren viel. Het middelpunt van hun gezicht, zo niet het zwaartepunt, dan toch het punt van het perspectief verplaatsend, waaromheen zijde trekken naar een ander karakter samenstelden, begonnen zij op hun vijftigste aan een nieuw soort schoonheid, zoals men op latere leeftijd een nieuw beroep neemt, of zoals men grond die niet meer voor wijnbouw deugt, bieten laat opbrengen. II-91
Zij zag eruit als een gesteriliseerde roos. Ik zei haar goedendag, zij zocht een poosje op mijn gezicht naar mijn naam, zoals een leerling op dat van zijn examinator naar een antwoord dat hij gemakkelijker in zijn hoofd zou hebben gevonden. II-99
Hij was een ruïne geworden, maar dan schitterend, en minder nog dan een ruïne, dat mooie romantische iets dat een rots in de storm kan zijn. Van alle kanten gegeseld door golven van pijn, van woede om pijn te lijden, van een opkomend voorstoten van de dood waar het door belaagd werd, behield zijn gezicht, verbrokkeld als een blok, de stijl, de geposeerdheid die ik altijd had bewonderd; het was aangetast als een van die mooie, te zeer beschadigde antieke koppen waar wij toch maar al te graag een werkkamer mee opluisteren. II-176
En net als die vreemde, unieke afglans als die de rotsen, tot dan toe anders van kleur, alleen krijgen bij het naderen van de storm waarin alles ten onder zal gaan, waren, zo besefte ik, het loodgrijs van de steile, gesleten wangen, met haar witte, omkrullende grijs van de uitstaande lokken, het zwakke schijnsel dat de ogen die nauwelijks zien konden nog was toebedeeld, geen irreële, juist reële tinten, maar van een fantastisch soort, ontleend aan het palet, de lichtval, onnavolgbaar in zijn schrikwekkende, profetische donkerheid, van de ouderdom, van de nabijheid van de dood. II-176
….want die schrijver, ….. , zou zijn minutieus , met voortdurende hergroeperingen van krachten, als een offensief moeten voorbereiden, het moeten verdragen als een vermoeidheid, aanvaarden als een regel, opbouwen als een kerk, volgen als een dieet, overwinnen als een obstakel, veroveren als een vriendschap, overvoeden als een kind, creëren als een wereld zonder voorbij te gaan aan die mysteries waarvan de verklaring waarschijnlijk in andere werelden ligt en waar wij dat vage besef van hebben dat ons in het leven en in de kunst het meest beroert. II-193
….en het zou zelfs onjuist zijn te zeggen dat ik dacht aan degenen die het lezen zouden, aan mijn lezers. Want zij zouden volgens mij niet mijn lezers zijn, maar lezers van zichzelf, mijn boek maar een soort van die vergrotende brilleglazen zijnde zoals die de opticien van Combray een koper voorhield; mijn boek, waar ik hun een middel mee zou verschaffen om in zichzelf te lezen. II-194
Ik wist heel goed dat mijn brein een rijk ertsbekken was, waar zich een immense en veelsoortige laag kostbare afzettingen bevond. Maar zou ik de tijd krijgen die te exploiteren? II-198
……, dan zou ik tenminste niet verzuimen er de mens in te beschrijven als een wezen in lengte, niet van zijn lichaam maar van zijn jaren, die hij, een steeds kolossalere taak waar hij het ten slotte tegen aflegt, met zich mee moet slepen wanneer hij zich verplaatst. II-208
 zie ook:
 https://erikgveld.wordpress.com/2018/01/22/marcel-proust-6-de-voortvluchtige-1925/

Ibanez Artcore AFS75T Cherry Red

 

Een goed alternatief voor een gitaarleraar is het regelmatig veranderen van gitaar. Ik ontdekte dit vorig jaar met de komst van de Telecaster. Zijn geluid gaf mijn oude Godin GLX onverwacht een nieuw leven en ik hoop nu op vervolg met de Ibanez Artcore. Je moet zo’n nieuwe gitaar natuurlijk wel eerst verdienen en ik heb een klein jaar gewacht om mijn speeluren te maken. Nu als start van 2018 is het een mooi moment om de gitaarcollectie uit te breiden. Iedere toevoeging blijkt een verruiming van de algehele  luisterervaring. Na de Godin met zijn stevige humbucker elementen en de dunne single coils van de Telecaster is de hollowbody/archtop gitaar de volgende variant van de luisterervaring. Maandenlang was de Gretch Streamliner favoriet tot hij vlak voor de finish werd gepasseerd door de Ibanez Artcore. De Gretch reputatie is te beladen voor mijn gitaarspel en het merk Ibanez past beter bij mijn bescheiden spelplezier. De Epiphone Casino was nog een alternatief maar is met zijn sunburnt uiterlijk niet zo mooi Cherry Red en zijn bespelers (de Gallagher Bros van Oasis, Paul McCartney, Paul Weller) geven mij de verkeerde associaties.

Elektrische gitaren koop je op gevoel want het geluid kan met mijn Boss ME 30 multiple effects processor alle kanten op worden gestuurd. De bespeelbaarheid is van belang en het geringe gewicht van de hollowbodies maakt daar deel van uit. Ze worden naar hun gebogen bovenblad ook wel ‘archtops’ genoemd en waren in de jaren 1930 de eerste elektrische gitaren. Die versterking was nodig omdat een akoestische gitaar niet meer boven het orkest geluid uit kon komen. De eerste elektrische gitaar werd afgeleid van de akoestische gitaar en had een volledige holle klankkast. Het element werd dus op het bovenblad gemonteerd met als nadeel dat bij grote orkestvolumes het bovenblad meetrilde en feedback veroorzaakte. De semi hollowbodies losten dit probleem op door de hals in de kast door te laten lopen en daarop de kam en elementen te monteren. Die grote volumes zullen bij mij alleen al vanwege de overlast voor de buren niet optreden. Ik kies dus resoluut vanwege het ultieme gitaarprincipe voor full hollow. Vanwege het speelcomfort is thinline mijn enige concessie doordat de klankkast een inch dunner dan normaal is.

Het merk Ibanez klinkt erg Spaans maar komt uit Japan. De Firma Hoshino begon in 1929 met het importeren van akoestische Spaanse gitaren van Salvador Ibáñez e Hijos. Toen dit merk vanwege een overname uit de markt werd gehaald besloot men in 1935 de productie over te nemen en de naam Ibanez te behouden. In de jaren 1970 breidde men uit naar de elektrische gitaren door kopieën van de Fender Stratocaster en Gibson Les Paul te maken. Deze gitaren werden vanwege hun kwaliteit concurrent van hun oorspronkelijke voorbeelden en al snel wegens copyright schending verboden. Opnieuw moest het roer om en besloot men zelf elektrische gitaren te gaan ontwerpen. Met de focus op de ruige muziek ontstond een samenwerking met supergitaristen als Steve Vai, Joe Satriani en John Petrucci. Vai kreeg zijn eigen Jem serie (zie boven de lichtblauw/witte gitaar) die voor korte tijd werd uitgebreid met een 7de snaar in het lage toonsegment. Uit deze Jem serie ontstond vervolgens de standaard Ibanez RG gitaar die in de jaren 1990 met de komst van de metalbands Korn en Limp Bizkit een succes werd. De naam Ibanez wordt daardoor vooral geassocieerd met een moderne gitaar voor de hardere muzieksoorten.
In 2002 is er opnieuw plek voor uitbreiding en wordt met de Artcore serie het elektrisch/akoestische segment aangepakt. Vergeleken met Gretch en Gibson zijn het betaalbare instapgitaren die bekend worden door hun schone warme klank en goede prijs/kwaliteit verhouding. Ibanez pakt het groots aan want de Artcore serie bestaat uit 34 modellen. Het merendeel is Semi Acoustic met de anti-feedback balk. Na enig puzzelwerk blijkt dat de AFS code staat voor de Acoustic Full hollowbody en de S voor het type thinline (small, slim?). Als er maar één Ibanez thinline te koop is wordt mijn keus eenvoudig en is de Cherry Red kleur eigenlijk best wel mooi.
Teveel voorpret is gevaarlijk maar het bespelen blijkt een nog groter genoegen. De barré akkoorden pakken lichter en de arpeggio’s tokkelen natuurlijk tevoorschijn. De klank stroomt van hoog tot laag bijna tastbaar uit mijn Crate versterker. Het wonder geschiedt en mijn gehoor breidt zich opnieuw uit en ik vraag me af met welke nieuwe schatten mijn andere gitaren zullen verrassen. Opvallend is dat de Ibanez zó goed klinkt dat hij me doet terugkeren naar een natuurlijke gitaarklank. Opvallend is ook dat de klankduur (sustain) meevalt en zeker niet onder doet voor mijn massieve gitaren. Het tactiele genoegen is zo groot dat ik er niet vanaf kan blijven en meerdere keren per dag een stukje speel. De thinline kast ligt comfortabel onder mijn arm en de plectrumhand vindt perfect steun op de slagplaat. Deze gitaar geeft een impuls aan mijn spel en stimuleert meer dan een gitaarleraar. Ook omdat ik aan het verleden nog voldoende lesboeken heb overgehouden. Met de komst van de Telecaster heb ik die opgeborgen en ben vrij gaan spelen om met de verplaatsbare toonladders de hele hals te verkennen. Zoals bij het schilderen van een abstract schilderij strooi ik met noten en akkoorden en vind langzaam mijn weg in de wondere wereld van klanken en vingerschema’s. Als mijn creativiteit stokt pak ik er een willekeurige bluessolo bij om uit mijn box te komen. Nu met de Ibanez keer ik terug naar de muziekboekje en ga nogmaals proberen om de hammerons, de pulloffs, de slides en bends in mijn notenseries te integreren. Misschien gaan ze dit keer bij de Ibanez wel lukken?

Tot slot toch nog even een guilty pleasure van de bekendste Ibanez speler; Steve Vai begon bij Frank Zappa maar ging al snel zijn eigen weg. For the love of god is een monument voor de elektrische Ibanez gitaarklank.

Mijn blog over de Telecaster:

https://erikgveld.wordpress.com/2017/02/15/fender-telecaster-1950/