Skip to content

blikveld 2017-2

Advertenties

Thomas Mann – Koninklijke Hoogheid – 1909

Tijdens het scheren dwaal ik wel eens door het huis en stop voor de tweede keus boekenkast in de logeerkamer. Het is een overstroom reservoir voor de woonkamerboeken. Natuurlijk staat de kast ook vol en fungeert hij tevens als doorgangshuis voor de derde keus op zolder. De doorstroomcriteria zijn intuitief en omkeerbaar. In alle drie de kasten staan nog te lezen boeken die met te grote ogen in de ramsj zijn gekocht. Zo ook Koninklijke Hoogheid van Thomas Mann dat al in 1979 van fl. 24,90 voor fl. 8,50 is gevonden. Gelukkig staat Thomas Mann garant voor kwaliteit en blijkt hij een veilige investering. Al zijn romans zijn ook nog steeds nieuw te koop bij Bol.com. Maar zoals met veel Duitse schrijvers wil mijn lezen niet goed lukken. Ik begin verwachtingsvol maar verzand vroeg of laat in een abstracte woordenbrei. Hoeveel meeslepender schrijven de Engelsen of de Fransen en bij dat rijtje kunnen de Spanjaarden zich de laatste tijd ook voegen.
Ik heb Thomas Mann meer dan een eerlijke kans gegeven. Zijn dikke debuutroman Buddenbrooks (1901) over het verval van een prominente Hamburgse familie was lang interessant maar is toch niet uitgelezen. Net als de nog omvangrijker Toverberg (1924) waar de conversatie op een Dostojevskiaanse manier uit de hand liep. Zijn Goethe roman Lotte in Weimar (1939) beloofde veel te onthullen over de grootste Duitser maar was zo vormelijk ouderwets dat ik ook daar op 2/3 deel vastliep. Dr. Faustus (1947) heb ik zelfs anderhalf keer gelezen maar gaf me nooit het inzicht in de duivel dat verondersteld was. Tot slot probeerde ik Felix Krull (1954) maar mede omdat Mann het zelf ook opgaf, is ook dit boek snel gestopt. Recentelijk is in 2014 zijn Jozef en zijn broers (1933-1943) vertaald. De recensies waren best wel positief maar de omvang van 1344 pagina’s en het christelijke thema schrokken me af.
Hoe vreemd was het dus dat mijn oog viel op Koninklijke Hoogheid (1909) en ik zomaar besloot vanwege de naderende Oostenrijk vakantie onze Thomas een nieuwe kans te geven. Hij heeft toch niet voor niets in 1929 de Nobelprijs voor de Literatuur gekregen. Vooral het thema sprak me aan over hoe een vorstelijke erfgenaam valt voor een burgermeisje en hij tot het inzicht komt dat het leven meer is dan ceremonies bijwonen.

Hertog Johan Albrecht is rond 1900 vorst van het denkbeeldige Duitse staatje Grimmburg dat 1 miljoen inwoners telt. Land en vorst zijn aan elkaar overgeleverd in een eeuwenoude geschiedenis. De staatsschuld is hoog en vorst en inwoners moeten zuinig aan doen. Men leeft dankzij het herfinancieren van oude leningen en obligaties. De troonopvolger Albrecht II is zwak en woont tijdens de wintermaanden in de warme Middellandse Zee regio. De roman begint bij de komst van de tweede zoon: Klaus Heinrich. Hij wordt geboren met een ingekrompen handje en voldoet daarmee aan de profetie van een zigeunerin die lang geleden voorspelde dat een eenarmige vorst weer voorspoed zal brengen. Klaus Heinrich krijgt een vorstelijke opvoeding en vindt daardoor nooit aansluiting bij zijn leeftijdsgenoten. De school wordt speciaal om hem heen gevormd en de hoofdleraar wil hem geen vragen stellen waar hij geen antwoord op weet. Raoul Ueberbein is de enige docent die oprecht zijn mening geeft en er ontstaat een vader/zoon relatie. Als Klaus Heinrich zich op een bal eindelijk eens laat gaan en tot dansen komt merkt hij dat de groep er genoegen in stelt hem tot hun burgerlijke niveau neer te halen. Ze slaan door en kunnen het niet laten om hem belachelijk te maken.
Als de hertog sterft kan de ziekelijke opvolger Albrecht II zijn ceremoniële taken niet aan en laat die door Klaus Heinrich uitvoeren. Hij heeft het er druk mee maar haalt er geen voldoening uit. Zijn wereld verandert als de schatrijke Amerikaanse industrieel Samuel Spoelman zich in het hertogdom vestigt. Hij wordt vergezeld door zijn jonge dochter Imma, haar vreemd gestoorde gezelschapsdame gravin Löwenjoul en de zenuwachtige hond Percival. Imma is adrem en eigengereid en doet, naast een studie algebra, aan liefdadigheids-werk. Klaus Heinrich raakt geïmponeerd als Imma zich niet door militairen laat tegenhouden en resoluut door een afzetting heenloopt. Hij arrangeert een ontmoeting maar wordt bits bejegend en op afstand gehouden. Toch houdt hij vol, wordt uitgenodigd op de thee en mag met Imma en de freule lange paardrijtochten maken. Toch blijven ze maar kibbelen en Imma wil hem niet in vertrouwen nemen. Ze vindt hem een poseur die alleen maar ceremoniële conversaties kan voeren. In hun maatschappelijke posities zijn veel overeenkomsten. Ze 
zijn allebei buitenstaanders die hun leven hebben afgeschermd tegen de opdringerige buitenwereld. Pas als Klaus Heinrich, na een gesprek met Knobelsdorf (Minister van Staat), geïnteresseerd raakt in staatskunde krijgt hij de aandacht van Imma. Ze gaan samen economie boeken lezen en op het bal vinden ze elkaar ten overstaan van de geïnteresseerde burgerij. De profetie van de zigeunerin komt uit en het land wordt gered door de kapitaalsteun van schoonvader Spoelman. Er kan weer goedkoper gefinancierd worden en het zelfvertrouwen en de welvaart keren weer terug,

Thomas Mann (1875-1955) is een bedachtzaam schrijver.  Zijn romans zijn het resultaat van veel denkwerk dat wordt gevangen in lange geboetseerde zinnen. Hij is zo nauwkeurig dat het lijkt alsof er werkelijke situaties onder zijn loep zijn gelegd. Zijn liefdevolle oog voor details is zo nauwkeurig dat het soms komisch wordt. Hij geniet zelf ook van zijn zinnen maar legt er een stijvere satire in dan zijn tijdgenoot Marcel Proust (1871-1922). Waar Proust vooral aandacht heeft voor de kunst en de menselijke relaties kiest Mann voor de maatschappelijke context. Dit kan een reden zijn waarom ik hem vroeger minder waardeerde. Grimmburg is een parlementaire constitutionele monarchie waarbij de vorst zijn macht moet delen met de volksvertegenwoordiging en gebonden is door een grondwet. Precies als bij onze Willem Alexander en daarmee geeft Mann honderd jaar eerder een nog steeds relevant inkijkje in de gevangenis van het vorstelijke bestaan. Ook de staatszaken hebben overeenkomst met de huidige Griekse kredietcrisis. Door de hoge rente van de staatsschuld groeit het begrotingstekort en wordt dat steeds moeilijker te financieren. Het onderhoud van de vorstelijke paleizen schiet erbij in en de opbrengsten van het land komen niet meer bij de bevolking terecht. Bij het bosbeheer blijft de herplant achterwege en de volle melk is niet voor de boeren maar voor de verkoop.
Maar ook de menselijke interactie krijgt zijn aandacht en Mann toont veel inlevingsvermogen. We volgen de dilemma’s van de minister van financiën en begrijpen dat de ervaren minister van Staat een huwelijk tussen Klaus Heinrich en Imma vanuit staatsbelang belangrijk vindt. Als het aan Klaus Heinrich lag zou dat er nooit komen. Hij is als de rozenstruik in het oude kasteel die prachtige bloemen heeft die echter pas gaan geuren als het land weer welvarend is. Knobelsdorf zet Klaus Heinrich aan tot handelen en als hij zo’n roos aan Imma geeft reageert zij beduusd voor de naderende relatie. Net zoals zij zich trouwens zich bij iedere toenaderingspoging niet meteen gewonnen geeft. Mann creëert daarmee een mooie volwassen liefdesrelatie waarbij Imma het beste in Klaus bovenhaalt en hij haar gevoelige snaar raakt.

Ik lees Koninklijke Hoogheid met als handicap de vertaling van N. Schuitemaker die al in 1938 uitkwam. Het is een stroeve tekst met de nodige vreemde woorden: een litewka schijnt een kledingstuk te zijn en trantelen is drentelen. Bij de nieuwe vertaling van Tinke Davids kreeg Schuitemaker natuurlijk veel kritiek: Een eerdere vertaling deed door veel fouten, slordigheden en hier en daar zelfs een stupiditeit afbreuk aan de charme van het boek. Heel jammer dus dat ik niet up-to-date las. Toch bleef er genoeg te genieten en wekte Koninklijke Hoogheid een honger naar meer Thomas Mann op. Het dure en omvangrijke Jozef en zijn broers is nog een stap te ver. Beter om eerst Lotte in Weimar een tweede kans te geven. Ik bekijk zijn foto’s in deze blog nu met meer gewillige ogen dan voorheen en hoop dat het ook voor Lotte opgaat. Mann is een gevoelige vriendelijke man geworden die hij eerder nog niet was. Maar de magie is bij Lotte in Weimar al op pagina 50 verdwenen. Het lezen is geforceerd en het einde lijkt met nog 330 pagina’s te gaan erg ver weg. Opnieuw kan de oude vertaling uit 1955 van C.J.E. Dinaux hier debet aan zijn. De zinnen zijn lang en abstract en de betekenis is niet altijd te doorgronden. Even denk ik daarin de kern van de Duitse geest met zijn vele mitsen en maren te betreden. Maar doorlezen is niet meer mogelijk en ik geef me over aan mijn oude onvermogen om de Duitse taal en in bijzonder Thomas Mann volledig te doorgronden.

Op de omslag van mijn roman staat een bewerkte foto van een Duitse filmstill uit de Duitse speelfiim Königlich Hoheit van Harald Braun uit 1953 met Ruth Leuwerik en Dieter Borsche. De film blijkt zelf op Youtube in zijn geheel te bekijken.

( https://www.youtube.com/watch?v=fJ230GGnMD0).

 

Mircea Cartarescu – Het onmetelijke mausoleum – 2007

De man in het pyjama overhemd is de Roemeense schrijver Mircea Cartarescu (1956). Als hij je aandacht krijgt is hij de grootste levende schrijver. Zijn enige probleem ligt bij de aandacht en concentratie van de lezer. Een geest staat alleen open als hij dat zelf niet door heeft. Zolang je Cartarescu onbevangen kunt volgen zijn de literaire toppen verblindend hoog. Als het leesgenoegen omslaat in plicht worden de dalen overeenkomstig diep en duister.

Met Het Onmetelijke Mausoleum kom ik bij het sluitstuk van zijn Orbitor trilogie. De strijd is gestreden, de leeservaring was uniek en ik kan voldaan afscheid nemen. Even leek het erop dat ik het einde niet zou halen. Het zou perfect passen bij zijn doelstelling om een onleesbaar boek te schrijven. Met nog 240 pagina’s te gaan kan ik niet meer volgen en stap ter ontspanning over naar Ons soort mensen van Juli Zeh. Als ik daarna terugkeer blijkt er op 120 pagina’s voor het einde opnieuw een horde te staan die ik omzeil met The Blazing World van Siri Hustvedt. Pas na Nino Haratischwili’s magistrale Het Achtste leven voor Brilka valt er een leespauze waarin ik onbevangen kan terugkeren naar het fantastische vuurwerk van mijn oostblokgigant. Ik lees eerst nog even de samenvatting op mijn conceptblog om de personages en de draad van het verhaal weer op te vatten. Ik word er niet veel wijzer van en ik spring maar gewoon in het diepe en kom na een paar pagina’s weer boven. Net zoals in een werkelijk zwembad ligt voor mij het probleem bij het ‘er door komen’ en is het best wel lekker als je eenmaal in het water ligt. Het geeft een goed gevoel om de trilogie na 7 jaar volledig gelezen weg te zetten. Als een unieke leeservaring die ik niet snel zal herhalen.

Toch zal ik Mircea Cartarescu niet alleen uit snobisme in de hogere regionen van mijn favorieten plaatsen. Al is het maar voor de moeite die de schrijver en ik als lezer hebben geïnvesteerd. De oorspronkelijke Roemeense delen van zijn trilogie kwamen in 1996, 2002 en 2007 uit. Als je de gemiddelde schrijftijd voor het eerste deel toevoegt kom je uit op 17 jaar schrijven aan de in totaal 1668 (476+573+619) pagina’s. Het zal dus ook voor Cartarescu een verlossing zijn geweest om het laatste woord te bereiken. Net als voor de lezer die het leesproces soms als een mentale fitness oefening ervaart. Anders dan bij het zwembad blijft het lezen na de begindrempel een proces van voortdurend afzien. Pas aan het einde komt de tevredenheid en weer later kijk je met een voldaan gevoel naar de drie ruggen in de kast. Iedere schrijver geeft je een andere inzicht. Proust toont de ruimte van de denkwereld,  Tolstoj presenteert de mens in al zijn facetten en Marias attendeert je op de keuzemomenten. Cartarescu geeft je inzicht in de vrijheid van het schrijven. Hij is met zijn pen werkelijk ongebonden en kan gaan en staan waar hij wil. Zijn wereld is groter dan ik er uit kan lezen en zijn kennis overstijgt mijn begrip op bijna ieder terrein. Bij toeval lees ik dat de veel voorkomende vlinders symbool staan voor de ziel. Zo zijn er vast meer motieven ingebouwd die mij ontgaan. Hij heeft er niet voor niets 17 jaar aan gewerkt. Het blijft onvoorstelbaar hoe vertaler Jan Willem Bos de tekst heeft ontward en in het Nederlands weer heeft opgebouwd.

Cartarescu springt ieder hoofdstuk in een andere handeling. Vaak weet je pas na een pagina wie er praat en waar hij is. De verhaallijnen wisselen elkaar af per hoofdstuk en worden later weer opgepakt. 

Voor deze samenvatting zijn de fragmenten gebundeld naar onderwerp. De roman is een verzameling indrukken met als rode draad de geschiedenis van Roemenië. We beginnen, net als bij de vorige delen, in het 2-kamerflatje in Boekarest waar de kleine Mircea vanuit zijn vensterbank over de stad uitkijkt. Hij luistert naar de verhalen van zijn moeder Maria die de hele dag bezig is met haar huishouden. Ze vertelt over de gesprekken in de rij voor de bakker die gaan over de opstand tegen ‘ome Ceausescu’. Zijn vader Costel gaat insecten bestrijden en als Mircea meegaat komt hij op de verdieping van de meisjes. Vervolgens schakelen we terug naar zijn kindertijd in Floreasca waar de 4/5 jarige de wereld ontdekt en alle onzin heel geloofwaardig kan maken tot zijn ouders hem tot de orde roepen. De jongen fantaseert veel. In een stedelijke droomachtige tocht eindigt hij bij een bed waarop zijn buurmeisje Silvia ligt. In een andere droom vliegt hij boven de stad waar de beelden tot leven komen. Hij praat vaak met zijn buurman Herman die de bijbel duidt aan de hand van de relatie techniek/mystiek en hem attendeert op een Alien invasie. Ook vertelt Herman over hoe de harige rupsen tot vlinder worden. Mircea denkt ondertussen aan Gekke Dan de Mendebiel die de kinderlokker van de buurt is.

Aan de hand van de carrière van vader Costel wordt de geschiedenis van de communistische partij verteld. Onder Nicolas Ceausescu verandert de Russische volkspartij in een Roemeense Nationalistische partij. De leider begint heel populair en krijgt steeds meer dictatoriale trekjes. Costel is journalist en draagt de nationale boodschap uit. Hij is trouw totdat de grootheidswaanzin bij Ceausescu toeslaat en hij het Paleis van het Volk bouwt. De staatsschuld kan met moeite worden afgelost en veroorzaakt voor de bevolking honger, koude en angst. Ceausescu’s echtgenote Leana/Elena wordt door het volk als de kwade invloed gezien. Vader Costel verbrandt uit protest zijn partijboekje. De gepensioneerde Securitatekolonel Ion Stanila is nog wel trouw aan het regime en maakt verkleed als oud vrouwtje foto’s van de protestanten. Hij ziet daartussen ook de slome Mircea lopen die, tegen de waarschuwingen van zijn moeder in, toch is gaan kijken wat er aan de hand is. De opstand wordt bestreden door in de lucht te schieten, de betogers houden stand tot er naast Mircea een meisje vanachter door haar hoofd word geschoten. De ME arriveert en voert betogers waaronder Mircea af. Later ziet hij thuis met zijn ouders op de tv dat de revolutionairen al op het balkon staan als er wordt geschoten.

In vogelvlucht perspectief wordt de Roemeense geschiedenis verteld die eindigt bij een 10 meter grote boerin als beeld voor de revolutie. Zij plukt 30 personen uit de menigte en plaatst ze op het balkon van het partijgebouw. Aan de hand van de ingewanden van de dictator wordt nogmaals de geschiedenis van Roemenië geduid. De 30 revolutionairen doen zich te goed doen aan een overvloedige maaltijd en verkrachten na afloop de reuzin van de Roemeense Revolutie. De opstand eindigt met een betoog van een vrijwilliger die na de revolutie lijdt onder het terrorisme en iedereen de schuld geeft van het onrecht dat het Roemeense volk is aangedaan.

Op een avond in 1989 staat de 16-jarige Mircea voor zijn raam. Een enorme sneeuwvlok van 30 km valt neer en de standbeelden komen tot leven. Ze lopen naar het grote plein en worden daar door Lenin toegesproken. Ze gaan op zoek naar een levende leider en vinden die in de Securitate kolonel Ion. Gezamenlijk gaan ze op weg naar het Paleis van het Volk.
Na een benauwde winterse reis in een overvolle trolleybus komt Mircea aan in het ziekenhuis waar zijn buurman Herman ligt met een doorzichtige schedel waarin zich een vreemd wezen bevindt. Er blijkt een foetus te groeien die leeft van zijn hersens. Ook Herman gaat op weg naar het Paleis van het Volk.
Victor is een ongevoelige sadist die letterlijk geen pijn voelt. Na een termijn vreemdelingenlegioen gaat hij naar Amsterdam waar hij zijn Roemeense moeder Coca zoekt. Hij heeft nog nooit van Roemenië  gehoord en verdiept zich in de geschiedenis. Dan reist hij af voor nader onderzoek en ontdekt wie zijn echte moeder is. Het is Maria en Mircea is zijn tweelingbroer waarvan hij op 1,5 leeftijd is gescheiden. Ook Victor gaat op weg naar het paleis.
Tot slot gaat de schrijver Mircea ook naar het paleis en ontmoet in de grote zaal alle personages van zijn totale trilogie. Hij komt tegenover Victor te staan, ze leggen hun fotohelften tegen elkaar en erkennen dat ze broers zijn.

Eén verhaal heeft niets met de andere verhalen te maken. Het vertelt van de Poolse zijdefabrikant Witold die in de 19de eeuw aan het Comomeer woont en als in een droom een mystieke bruiloft beleeft waarin hij met Miriam een extatische liefdesdaad verricht.

Geleidelijk had de wenteling der uren, de slijpschijf van alle uurwerken op de wereld, haar lichaam verschrompeld, haar haar en haar botten dunner gemaakt, haar borsten doen hangen…Mama was doortrokken van ouderdom en verwaarlozing. Maria was verandert in Marioara, zoals papa en de hele familie haar noemden, in de vrouw die voor iedereen zorgt en nooit voor zichzelf, in de verbannen, in de onttroonde, aan geheugenverlies leidende Marioara.  etc,etc, etc      22

Ik probeer uit alle macht te voorkomen dat mijn manuscript in een dagboek verandert, zoals ik, van begin af aan, me ertegen heb verzet dat het literatuur werd. Ik wil verder schrijven over mijn inwendige holten, over mijn hallucinaties, die waarachtiger zijn dan de wereld zelf, ……., maar mijn hallucinatie is deze dagen naar buiten getreden en heeft de wereld overspoeld, en het valt me steeds moeilijker vast te stellen aan welke kant van ieder vel van mijn manuscript ik me bevind, alsof ieder vel papier een spiegel is op de bovenkant waarvan twee werelden elkaar ontmoeten die beiden even gerechtigd zijn zichzelf ‘echt’ te noemen.          192

Ik heb geen kindertijd en ook geen jeugd gekend, ik heb niets begrepen van wat zich op de wereld afspeelt, ik heb altijd gemeend dat ik, mijn hele leven, een eenzaam monster zou zijn, zonder vrouw, zonder huis, zonder een steen om mijn hoofd op te rusten te leggen, voorbestemd om jarenlang te schrijven aan een onleesbaar en eindeloos boek, dat op een dag het heelal zal vervangen.      193

Gisterenochtend werd ik wakker met Hermans woorden in gedachten. Al twintig jaar had ik daar niet meer aan gedacht., hoewel ze, net als alle andere, al die tijd in mijn geest waren gebleven, in met zachte sloten van vlees afgesloten kamertjes, met de kleur van scrotumhuid, de een naast de ander in een uitgestorven gang.       194

Ik ben neergevallen in de verzweerde huid van de bladzijde. Echt schrijven doe ik niet meer. Deze vellen papier zijn het van betekenis verstoken dagboek van mijn zwerftocht. Zij vertellen niet langer het verhaal van Mircea, maar alleen de geschiedenis van een in de geschiedenis neergestorte man. Als in een absurde film waar geen touw aan vast te knopen is (ons leven is absurd, geen touw aan vast te knopen), tonen ze me lopend door de stad………..446

Ik schrijf als een bezetene, leunend op één elleboog, bij het aardegrauwe licht van de metrohalte. Regelmatig prik ik met de balpen door het broze vel papier heen, dat steunt op andere vellen, zodat ik door de driekantige kieren soms de letters van de vorige bladzijde kan zien, zoals ik door de breuken in de dag van vandaag, in plotselinge opflakkeringen van roodgloeiend geheugen, de gebeurtenissen van de dag van gisteren kan waarnemen, en dat doe ik ook, want in onze hersenen liggen de dagen niet laag op laag, als een sponzig manuscript, als een dagboek met lacunes en vlekken van ons leven, maar leven ze simultaan, verblindend, in alle tijden tegelijk, zoals ook de pagina’s van mijn onleesbare en monsterlijke boek zouden moeten leven.       482

Met het Onmetelijke mausoleum wordt gerefereerd aan het huidige Parlementspaleis (Palatul Parlamentului) in Boekarest. Ten tijde van Ceausescu heette het Huis van het volk (Casa Poporului). Het is met zijn 350.000 m2 vloeroppervlak het grootste gebouw van Europa en alleen het Pentagon is groter. Het oppervlak is 270 x 240 meter en het heeft 20 verdiepingen waarvan 8 ondergronds tot 92 meter diep zijn aangebracht. In totaal bevat het 2000 kamers en zalen. Sinds 1994 biedt het onderdak aan het Roemeens parlement en fungeert het als congrescentrum.

25/10/2010 – De wetenden (1996)
https://erikgveld.wordpress.com/2011/04/25/cartarescu/

26/03/2015 – De trofee (2002)
https://erikgveld.wordpress.com/2015/03/26/mircea-cartarescu-de-trofee-2002/

 

Nino Haratischwili – Het achtste leven (voor Brilka) – 2014

Toen God de aarde onder de volken verdeelde bewaarde hij voor zichzelf het mooiste stukje. Na afloop bleef er een gemakzuchtige boer achter die niet de moeite had genomen om zich te melden. God was zo tevreden over zijn onthechtheid dat hij hem zijn eigen stukje land gaf. Zo kwamen de Georgiërs aan hun grondgebied ten oosten van de Zwarte Zee. Ze noemen het zelf Kartvelebi. De naam Georgië wordt voornamelijk door het buitenland gebruikt. Het is niet afkomstig van Sint George van de draak maar een verbastering van het Griekse woord boer. Het paarse Georgië ligt tussen de Zwarte en de Kaspische Zee en begrenst met het gele Armenië en het oranje Azerbaijan de Kaukasus. De drie landen waren tot 1991 onderdeel van Sovjet Rusland en proberen nu met moeite hun zelfstandigheid te bewaren. De aan Rusland grenzende Georgische regio’s Abchazië en Zuid-Ossetië zijn in feite al overgelopen en voor Adzjarië is de zaak onbeslist. Door al die Krimmige schermutselingen is de relatie met Rusland niet best. De 5 miljoen inwoners zijn voor 90% orthodox christen en het land is 2 x zo groot als Nederland. Vooral vanwege dat christendom is er affiniteit met onze Europese cultuur en maakt het nog net deel uit van Oost Europa. Herkenbare mensenlevens die door fascisme en communisme zijn gebroken en voorlopig onherstelbare schade hebben opgelopen. Ze zijn zo diep door het stof gegaan dat het Westen hen wantrouwig als ongewenste vluchteling of asielzoeker afwijst.
Ieder serieus boek dat licht in hun duisternis brengt grijp ik met beiden handen aan. 
Een jonge literaire ster wordt helemaal gretig omarmd en gekoesterd. Haar exotische naam vraagt wel enige gewenning. Nino Haratischwili komt volkomen uit het niets met een buitensporig epos over een Georgische familie. Je twijfelt nog even of iemand van 32 de inhoud heeft om 1250 pagina’s lang te boeien. Maar als de recensies in kranten en op internet goed blijven en de naam Tolstoj herhaaldelijk valt is het gebeurd.

Nino Haratischwili heeft een steile schrijverscarrière. Ze is in 1983 in Georgië geboren en schrijft daar al van 1998 tot 2003 toneelstukken voor een zelf opgericht theatergezelschap. In 2003 verhuist ze naar Hamburg waar ze tot 2007 theaterregie studeert. Ze blijft daarna in Duitsland en komt in 2010 met haar debuutroman Juja. Een jaar later volgt Mein sanfter Zwilling en in 2014 breekt ze groots door met haar derde roman Het achtste leven (voor Brilka). Ze lijkt me even slim als haar vertelster Nitsa en schrijft meteen maar in het Duits. In eerste instantie wil ze over het Georgië van jaren 80/90 schrijven. Dat is de chaotische periode rond de onafhankelijkheid van 1991. Voor haar onwetende Duitse lezers voegt ze vervolgens inleidende hoofdstukken toe en voor ze het weet wordt de roman een epos dat begint in 1900.

Mijn als altijd hooggestemde verwachtingen worden meteen in de proloog ruimschoots overtroffen. De Tolstoj vergelijking klopt en ik raak al snel geëmotioneerd door haar menselijk toon en natuurlijke vertelstijl. Hoe kan een debuterende schrijfster op 32 leeftijd al zo’n doorleefde ziel bezitten? Het blijkt mogelijk, zeker omdat Tolstoj ook al met 38 aan zijn nog omvattender Oorlog en Vrede van 1600 pagina’s begon. De dikte van een boek bepaalt onwillekeurig het leestempo. Je wilt met grote stappen vooruit maar Haratischwili dwingt je met haar oog voor detail tot aandacht en onthaasting. Je moet haar tekst lezen als een kort verhaal en vergeten welk dik pakket papier nog in je rechterhand te gaan is. Je van dag tot dag als een van de karakters laten meestromen met de verwoestende vloedgolf van het leven. Er gebeurt zoveel dat de familiestamboom regelmatig voor herbezinning geraadpleegd wordt. De vrouwen dragen het verhaal en doorstaan veel leed. Ze lijken daardoor na afloop meer inwisselbaar dan de mannen die opvallen door afwezigheid. Ze gaan in het leger of werken voor de partij en komen alleen met verlof langs om een kind te maken. Zo verandert een familie in een vrouwenhuishouden waar de grootmoeder en oudtantes volop meebepalen.

Van de 7 hoofdstukken zijn er dan ook 6 gewijd aan een vrouw. Kostja is de enige man die de ruimte en zelfs een eigen hoofdstuk krijgt. Is Het achtste leven daarmee ook een vrouwenboek? Ik vind van niet maar dat de vraag opkomt zegt wel iets over de strekking. Haratischwili beschrijft haar vrouwen zo indringend dat je meent met werkelijke levens te maken te hebben. Na afloop was ik blij dat er ondanks al haar research sprake is van volledig verzonnen personages. Een extra compliment voor de schrijfster die daarmee de prestatie van Jung Chang (1952) overtreft. Changs beschreef in Wilde Zwanen (1991) drie werkelijk bestaande dochters van het China doet eerder aan geschiedschrijving dan fictieve literatuur. (Chang was toen trouwens al bijna 40 en haar boek is dik maar komt toch niet verder dan de helft van dat van Nino). Alle personages van Haratischwili zijn ambivalente mensen van vlees en bloed en zo overtuigend dat ik volop in hun liefde en leed kan participeren. Het leed is groot maar blijft als bij Tolstoj draagbaar. Vanaf de onafhankelijkheid van Georgië in 1991 slaat de chaos van de anarchie toe en wordt het persoonlijke bestaansfundament beschadigd. De personages gaan langzaam ten onder en de schrijfstijl neigt naar de waanzin van Dostojevski. De noodlottige levens verliezen hun grip, draaien door en vernietigen zichzelf. De vertelster kan het niet meer volhouden en vlucht naar Duitsland.

Haratischwili laat haar verhaal in 2006 vertellen door de jarige 32-jarige Nitsa Jasji die zich richt tot haar 13-jarige nichtje Brilka Jasji. In 7 hoofdstukken worden de belangrijkste familieleden beschreven. Het achtste hoofdstuk blijft leeg en is bestemd voor Brilka. Ze is danseres, wil de liedjes van haar oudtante Kitty choreograferen en verwacht dat Nitsa het familieverhaal erbij zal schrijven. Deze heeft daar helemaal geen zin in maar ziet tot slot toch in dat Brilka haar nodig heeft en stemt toe haar verhalende tante-rol te vervullen.

Haar relaas begint netjes bij de start van de 19de eeuw en baant zich geduldig en gedetailleerd zijn weg naar het heden. De politiek wordt ingevlochten met geschiedenis paragrafen waarin we de gesel van het communisme ondergaan. Tot in 1921 toen de bolsjewieken Georgië inlijfden was de hoofdstad Tbilisi een welvarend handelscentrum tussen Oost en West. Het dynamische land verandert in een onbeduidende grensstaat met als enige verdienste dat Stalin er is geboren. Tijdens WW2 kan de bevolking  partij kiezen tussen twee kwaden. Het deel dat aan Duitse zijde vecht voor een vrij Georgië wordt na afloop hard gestraft. Tot slot blijkt bij de onafhankelijkheid van 1991 de ellende alleen maar toe te nemen. Het land vervalt in chaos en anarchie en de bevolking kan zichzelf met moeite in leven houden. De politiek heeft grote invloed op de mensenlevens. De staat is zo dichtbij dat er amper vrije keuzes zijn. Geluk is mogelijk maar slechts van korte duur in dit meeslepende relaas van menselijk onvermogen om het leven vorm te geven.

Het verhaal begint bij de overgrootvader die een geheim chocolade recept overdraagt op zijn dochters. Ze zetten het verrukkelijke drankje in als ze hun zin door willen drijven. Maar de keerzijde van het genot is dat het slecht afloopt met de proever. De chocoladefabrikant heeft 2 dochters. Stasia wil danseres worden en ontmoet de vrije geest van Sopio Erstavi. Ze trouwt met Simon Jasji en plant de familiestamboom. Haar zus de knappe Christine kiest voor het openbare leven en trouwt partijbaas Ramas. Ze wordt vervolgens uitgeleend aan zijn communistische baas en uit jaloezie verminkt door haar echtgenoot die daarna zelfmoord pleegt. Stasia krijgt 2 kinderen. Kostja gaat het leger in en stijgt in Rusland tot grote hoogte. Zijn zuster Kitty moet lijden onder het verraad van haar geliefde Andro Erstavi die de Duitse zijde koos. Zij eindigt als wereldberoemd popzangeres in Engeland. Kostja krijgt slechts een dochter Elene die wispelturig en weerbarstig is. Ze verleidt de naïeve Micha Erstavi tot verkrachting waarna ze abortus pleegt. Vervolgens krijgt ze 2 kinderen van loslopende mannen die snel uit zicht raken. De ene dochter is Nitsa die het boek schrijft en de tweede is Daria die de moeder is van nichtje Brilka waarvoor Het achtste leven is geschreven.

Het zijn stuk voor stuk tragische levens. Te overdadig om samen te vatten. Zeven levens krijgen ieder een korte roman van 180 pagina’s als hoofdstuk! Juist door de zwaarte van hun bestaan krijgen de levens betekenis. Het leed lijkt de kapstok waaraan hun menselijkheid is opgehangen. Er gebeurt zoveel moois en afschuwelijks dat het je gaat duizelen. Niemand wordt gespaard of houdt schone handen. Als Nitsa denkt een verstandhouding met haar opa Kostja te hebben gebruikt hij haar goedbedoelde bekentenissen om schoon schip te maken. Als Andro Erstavi voor een vrij Georgië denkt te strijden wordt zijn zwangere vriendin Kitty door communiste Marian tot een abortus gemarteld. Als die Marian een relatie heeft met Kostja wordt zij door echtgenote Nana en Kitty bloedig gewroken. En zo blijven we 1250 pagina’s lang op het puntje van onze stoel en vallen van ontroering naar verbazing en afgrijzen. Tot de laatste pagina blijft het verhaal origineel en persoonlijk. Bij het overschrijven van de ontknopingszinnen vallen haar eigenzinnige beeldspraken en originele gedachten weer op. Hoe kan Haratischwili dit ooit overtreffen?

 

Revoluties kenmerken zich altijd door onbeleefdheid, waarschijnlijk omdat de heersende klassen niet tijdig de moeite namen het volk goede manieren bij te brengen.    Trotski     66

Sluipenderwijs had hij afscheid genomen van het heden, doordat het dun en doorschijnend was geworden en uiteindelijk scheuren begon te vertonen; oud, verzwakt, gebrekkig, met zwakke nieren, zonder aanzien en niet meer omgeven door de geur van voornaamheid was de chocoladefabrikant ingekapseld geraakt in een ondoordringbare, niet meer los te weken korst van verdriet.       265

De wereld deed een reidans. De skeletten onder de grond gaven het ritme aan. De rozen bloeiden alleen nog zwart. Alle wegen voelden aan als zwaaiende hangbruggen die elk ogenblik konden instorten. Zelfs de sneeuw kreeg een blauwe weerschijn. De hemel was doorboord; ook aan de horizon zag je kogelinslagen en de zon stond weliswaar vermoeid te stralen, maar kon geen warmte meer geven.
De bomen maakten fluisterend afspraken en verhingen zich aan elkaars takken. De vogels vielen uit de lucht, omdat ze bij het zien van de reidans het vliegen verleerden, en de kinderen werden op slag volwassen en poetsten granaten. Tranen waren zeldzaam en kostbaar geworden. Alleen maskers waren gratis.       283

De willekeur waarmee hij om zich heen sloeg, als een draak die zijn vuur niet meer onder controle heeft, was een verschrikking en deed denken aan willekeur uit de jaren dertig.       495

Terwijl hij toch een diepe eerbied voelde voor de rituelen van de dorpelingen, die zo zonder twijfel leefden, zo ver van al het moderne, alsof ze hun eigen tijdrekening hadden. Maar tegelijkertijd had hij een hekel aan die traditiegebonden compromisloosheid, dat bijgeloof, hun gebrek aan bereidheid om iets boven de wetten van hun voorouders te stellen.      522/523

Ze zag er niet uit als een diep ongelukkige vrouw. Haar gezicht had tijdens haar huwelijk leren liegen.   588

Ze had het gevoel dat er heel lang geleden een stuk van de hemel was afgebroken en een dik wolkendek naar beneden was gevallen, waaruit het nu splinters dromen regende.      701

Maar de grond scheurde ongemerkt open. De tijd werd tegen de haren ingestreken, het verloop werd verlegd, het ongeluk was als de vleugelslag van een zwarte vogel, die hen in zijn duikvlucht allemaal even raakte.       782

Daarna stonden ze op het donkere erf, Lana had haar armen strak om haar lichaam geslagen en keek naar de hemel: opeens waren daarboven miljoenen sterren verschenen, ze leken zo dichtbij alsof ze boven hun hoofd een diadeem wilden vormen. Alsof de nacht zich een beetje dieper over de aarde wilde buigen om naar haar te luisteren.      793

Mijn hele kindertijd, die ik in het Groene Huis doorbracht, die tijd voor ik vragen begon te stellen, voordat ik woede en verdriet kon opkroppen, voordat ik de mooie, mij als onze familiegeschiedenis voorgeschotelde puzzel uit elkaar haalde, voordat ik achter de voor mijn neus dichtgetrokken gordijnen begon te gluren, leefde ik met de verhalen, die Stasia’s herinneringen waren.        874

Het Engels smaakte naar zeelucht en de herfstachtige schemering aan de noordelijke kust, een beetje naar viskramen, een beetje naar regen. Het Frans, dat ik nooit had geleerd, moest als abrikozengelei op je tong smelten en naar droge witte wijn smaken. Het Russisch smaakte naar de eindeloze verte, naar graanvelden, naar eenzaamheid en illusies. Maar het Georgisch smaakte stoffig, vol, bijna overvol, en soms naar verstoppertje spelen in het bos. Het Duits dat Severin me leerde, smaakte daarentegen eerst ijskoud en bitter, daarna veranderde de smaak in die van algen, het smaakte naar donkergroen mos, toen werd de smaak weer streng, maar aangenamer, en later, veel later, smaakte het Duits voor mij naar rijpe kastanjes en naar hoogte, ja naar een duizelingwekkende hoogte.         1092

We kwamen aan in Wenen. Een stad die, zo was mijn indruk, getuige was geweest van iets afschuwelijks, toen van schrik de adem had ingehouden en sindsdien geen frisse lucht meer binnen had gekregen.       1241

We reden langs de Adriatische kust. We sneden de tijd in stukken. We geloofden er niet meer in, we hadden onze eigen tijd.      1251

 

blikveld 2017 – 1

John Grisham – Het Testament – 1999

Uit vaderliefde klim ik voor John Grisham één keer uit mijn literaire toren. Mijn dochter en haar vriend zijn verknocht aan spannende romans en lezen zich gestaag  door zijn oeuvre heen. Ze moeten doorzetten want hij is ondertussen in 2017 al bij deel 36 aangeland. Ik had natuurlijk vaak van de naam Grisham gehoord maar nooit serieus overwogen om hem te lezen. Hij was vooral bekend van de films die van zijn boeken zijn gemaakt. Ze behoren tot het beste uit het rechtbank genre. In The Devil’s Advocate (Taylor Hackford – 1997) komt de jonge advocaat Keanu Reeves in de ban van zijn baas Al Pacino die de duivel en zijn vader blijkt te zijn. In Runaway Jury (Gary Fleder – 2003) verdient John Cusack zijn geld door zich als jurylid te laten omkopen. In The Rainmaker (Francis Ford Coppola – 1997) leert Matt Damon van Danny de Vito om bij ziekenhuizen zijn eigen werk te creëren door patiënten tot schadeclaims te bewegen. In A time to kill (Joel Schumacher – 1996) verdedigt Matthew McConaughey de de schuldige Samuel Jackson en krijgt de jury zover dat ze hem vrijspreken voor doodslag. In The Pelican Brief (Alan Pakula – 1993) onderzoeken Julia Roberts en Denzel Washington de moord op twee rechters. Het zijn geoliede Hollywood machines waarvan vooral het verhaal je op het puntje van je stoel houdt. Kan een schrijver die de grondslag legt voor zulk hoogwaardig juridisch vermaak er in zijn romans nog een laag aan toevoegen?

John Grisham (1955) woont zijn hele leven in de Zuidelijke staten van Amerika. Hij studeerde voor accountant en voegde daar rechten aan toe. Werkte 10 jaar als jurist en was van 1983 tot 1990 afgevaardigde voor Mississippi.  Uit een dagboek tijdens zijn studie ontwikkelde zich een schrijfbehoefte en in 1988 komt zijn eerste roman A time to kill uit. Met de tweede The firm breekt hij in 1991 groots door met 7 miljoen verkochte exemplaren. Sinds die tijd volgt er ieder jaar op zijn minst een boek. Aan de foto was het al te zien dat we met een doener te maken hebben.

Voor boeken waar vooral het verhaal telt kies ik het beste boek waarvan ik de film niet heb gezien. Er zijn voldoende favorietenlijstjes op internet en Het testament scoorde goed en had daarnaast best een interessant verhaal. Het liefst lees ik origineel in het Engels maar mijn dochter heeft juist dit deel nog niet haar kast staan. Mijn geduld is klein als ik in de kringloopwinkels voor €1,- Grishams voor het uitkiezen heb. En wat nog het vreemdst is ga het thuis ook meteen lezen.

Troy Phelan bezit $11 miljard en is de dood nabij. Zijn 3 vrouwen en 7 kinderen verlangen naar hun erfenis. Om zeker van hun zaak te zijn schakelen ze 3 psychiaters in die moeten verklaren dat Phelan tijdens de openbaring van het testament bij verstand is. Bij de zitting hint de erflater naar een testament waarin de familie zijn deel krijgt en dat het over een maand wordt geopenbaard. Na de zitting trekt hij zich terug en ondertekent een ander handgeschreven testament en pleegt zelfmoord door van het dak af te springen. In het laatste document wordt iedereen onterft en gaat zijn hele kapitaal naar een onbekende buitenechtelijke dochter. Zij is een kerkelijk ontwikkelingswerkster voor World Tribes en leeft bij een amper ontdekte indianenstam in de Pantanel op de grens van Brazilië en Bolivia. In de maand tot openbaring koopt de familie op afbetaling als de gretige leeghoofden die ze zijn. Na de maand komt het tweede testament als een schok en alleen de advocaten zijn blij met het vooruitzicht naar alle gerechtelijke procedures.

De advocaat van Phelan draagt zijn partner Nate O’Riley op om de erfgename in Zuid Amerika te gaan zoeken. Hij vaart met een gids het moerasgebied in en vindt Rachel betrekkelijk snel. Ze is 42 en wil als arts de inboorlingen bijstaan en waar mogelijk bekeren. Een zendeling van de oude orde dus die totaal niet om geld geeft en de erfenis afwijst. Op de terugweg krijgt Nate de dengue koorts, wordt opgenomen in een erbarmelijk ziekenhuis dat hij maar net op tijd kan ontvluchten.

In Amerika huren de advocaten van de erfgenamen opnieuw 3 psychiaters in om Phelan vanwege zijn zelfmoord ontoerekeningsvatbaar te laten verklaren. De butler van Phelan  is kwaad dat hij na 30 jaar dienst niets erft en is bereidt om voor $5 miljoen valse verklaringen te verstrekken. Ieder van de 7 kinderen heeft een eigen advocaat die $ 600 / uur rekent. Sommige hebben een deal gemaakt voor een deel van de erfenis/ schade. Als de advocaat tijdens het proces wordt ontslagen zal hij wel zijn een uren declareren. Ze rekenen er allemaal op dat de zaak niet voor de rechter komt maar met een schikking wordt afgehandeld. Zes maal €20 miljoen valt in het niet op een vermogen van $12 miljard.

Nate werpt zich op als advocaat van Rachel en begint voorafgaand aan de rechtszaak aan de getuigenverhoren onder ede. Hij neemt zijn tijd en haalt alle vuile details naar boven. De butler kan zijn belofte niet waarmaken en valt door de mand en de erfgenamen hebben daarmee geen zaak meer. Maar omdat een jury uitspraak nooit is te voorspellen wordt er geschikt en ieder kind krijgt $ 50 miljoen. Sommige advocaten hebben met hun cliënten 30 % afgesproken en krijgen dus $ 15 miljoen. Nate is een beetje verliefd geworden op Rachel en keert terug om haar het nieuws te brengen. Zij blijkt echter overleden en hij vindt niets meer dan haar graf.

Grisham schrijft zijn romans alsof het filmscripts zijn. Die van Het Testament is nog niet gemaakt maar is volgens IMDB wel in voorbereiding. Een speelduur van 2 uur past beter bij de diepte van het verhaal dan mijn leestijd van 16 uur. De alcoholicus Nate is een mooie anti-held waar mee geïdentificeerd kan worden. Zijn love interest Rachel is de goede fee die hem weer op het rechte pad zet. Het kwaad in de vorm van de advocaten met hun domme erfgenamen, de excentrieke miljardair in zijn dure penthouse en de rimboe van Brazilië doen de rest. De scenarist hoeft maar te kiezen uit de vele mogelijkheden. De wisselende actie tussen de speurtocht van Nate en het thuisfront met de erfgenamen kunnen zo gemonteerd worden. En de met name genoemde Sikorsky 76 C helicopter of het Gulfstream IV privé vliegtuig staan al klaar bij het prop-department.

Maar wat in een film werkt is niet genoeg voor een literaire roman. Thomas Rosenboom schrijft in zijn essay  Aanvallend Spel (2002) dat ieder literair boek een probleem moet hebben waarbij de actie die het oplost weer nieuwe problemen vooroorzaakt. De problemen worden in het boek geboren en daar ook weer opgelost. Daarnaast moeten de belangrijke personages uit een interne motivatie handelen.
Niets van dat al bij Het testament. De personages worden van buiten af door een behoefte naar geld aangestuurd. De honger is zo groot dat het bijna een interne motivatie lijkt. Alleen Nate komt door zijn alcoholproblemen in de buurt van een literair karakter. Het levert meteen de enige ontknopingszin van het boek op: Hij zag de rijen drankflessen, allemaal vol en ongeopend, whiskey en gin en wodka, allemaal in het gelid als kleine soldaatjes in mooie uniformen(112). Eens een alcoholicus, altijd alcoholicus. Nate reist vanuit de ontwenningskliniek naar Brazilië. Hij drinkt daar in één onoplettend ogenblik een biertje en gaat direct naar de drankwinkel voor 2 literflessen wodka. Onder invloed van Rachel stelt hij zich open voor God en terug in Amerika verdiept zijn geloof en knapt hij zelfs samen met de dominee van zijn woonplaats een gemeenschapsruimte op. Maar zijn bekering wordt niet geduid. Het zal wel Amerikaans zijn om godsdienst voor vanzelfsprekend te nemen. 

Grisham heeft een negatieve boodschap en in zijn wereld is weinig plaats voor gutmensen.  Hij kan schrijven maar zijn stijl is functioneel en te betweterig ondersteund met feiten en weetjes. What you read is what you get. Zoals uit zijn foto blijkt gaat hij recht op zijn doel af en twijfelt weinig. Met meer dan een boek per jaar kan je ook niet teveel herschrijven. Bij spannende boeken weet je ook niet hoe groot de invloed is van de vertaler. Uitgeverij Bruna zal de schrijfstijl minder in de gaten worden gehouden dan De Bezige Bij. Ik zal er nooit achter komen want ik laat het bij deze ene Grisham. Het was een leuk uitje maar het wordt weer tijd om terug te keren naar mijn literaire toren waar meer gewikt en gewogen wordt.

 

Marcel Proust 5 – De gevangene – 1923

Weinig schrijvers krijgen van mij zoveel krediet als Marcel Proust.  Hij lijkt een beetje op een ver familielid die je geduldig en begripvol tegemoet treedt wanneer je eenmaal per jaar op visite gaat. In je herinnering is het een aardige en ontwikkelde man waar je veel van hebt geleerd. Bij de ontmoeting blijkt dat hij gedeeltelijk door de tijd is ingehaald. Bepaalde facetten van zijn gedachtegoed zijn ouderwets en soms incorrect. Maar voor familie wordt veel met de mantel der liefde bedekt. Vooral als er sprake is van een overdadige woordenstroom waar zoveel meer te waarderen valt. Door je zo min mogelijk te storen blijft de sfeer goed en keer je tevreden terug naar huis. Blij dat de visite geslaagd is en de relatie in stand blijft. Tevreden dat de aangegane verplichting voor een jaartje is vervuld en je weer tot de orde van de dag kunt overgaan.

Ik herlees ieder jaar één deel van Op zoek naar de verloren tijd van Marcel Proust (1871-1922). Tegelijkertijd bewerk ik de aantekeningen van het vorige deel tot een blog. Het is een fijn ritueel om die verloren tijd weer levend te maken. Proust lezen is een oefening in onthaasting en concentratie. Bij de eerste pagina’s zijn de lange zinnen nog stroef en moeten regelmatig worden overgelezen tot de inhoud wordt begrepen. Maar geleidelijk aan ga ik me verheugen op die korte meditatie momenten. Ik kan per dag niet meer dan 3 x 6 pagina’s aan. Het is een mentale fitnesstraining waarbij de geest opfrist en zich optimaal opent. Omdat het verhaal amper van belang is kun je lekker haastloos alle zijsporen en associaties volgen. Deel 1 van De gevangene beschrijft slechts een paar dagen van Marcel die nu voor het eerst ook bij naam wordt genoemd. Hij woont in zijn ouderloze huis samen met zijn vriendin Albertine. Zijn geest schakelt volkomen willekeurig tussen voorvallen, gedachten en associaties. Van zin tot zin volg je zijn gedachtestroom en je weet nooit wanneer de beloning komt. Het wonder van de onthulling en ontknoping kan bij iedere volgende zin geschieden. Deze latere Proust vraagt wel meer aandacht. Zijn uitweidingen nemen de overhand en lijken soms zo ondoordacht dat je denkt een drukproef te lezen. Redigeren was vroeger in de analoge wereld een tijdrovende bezigheid van schrijven en overschrijven. Proust werkte vanwege zijn gezondheid onder tijdsdruk en stierf vlak nadat de laatste regel geschreven was. Hij streepte veel door en plakte stroken in zijn manuscript voor de tussengevoegde zinnen. Dit vijfde deel (van zeven) werd in 1923 één jaar na zijn dood uitgeven.  Het is pas 70 jaar later door Thérèse Cornips voor de Bezige Bij vertaald en voor de eerste keer in 2 delen in 1991 en 1993 uitgegeven met de mooie omslagen van Wout Muller. Ik kreeg ze tegelijk in 1995 van Sinterklaas en heb ze een paar jaar later gelezen. Het zijn dunne boeken van respectievelijk 191 en 245 pagina’s. Ze werden later, toen de serie compleet vertaald was net als in het Frans in één boek uitgegeven.

We worden met het hoofdpersonage Marcel wakker in zijn ouderlijk huis in Parijs. Hij kan aan de straatgeluiden horen wat voor weer het is. Zijn ouders zijn met vakantie in Combray en zijn vriendin Albertine woont bij hem in. Zij mag hem ’s ochtends niet storen en is al weg met haar vriendinnen. Ze hebben een liefdesrelatie maar nu zij volledig in zijn bezit is kan hij niet meer van haar houden. Hij wordt jaloers als ze alleen de deur uitgaat en is bang voor overspel. Marcel gaat naar zijn buurvrouw Duchesse Guermantes voor kledingtips die hij voor Albertine kan laten maken. De gravin coquetteert met haar boerse uitspraak en heeft alle tijd voor Marcel. Op weg terug naar huis komt hij op de binnenplaats Baron de Charlus en de violist Charlie Morel tegen. De heren overwegen dat een huwelijk van Morel met de nicht van Jupien een goede dekmantel zal zijn voor hun homofiele relatie.
Als Albertine thuis komt vraagt hij aan haar vriendin Andrée waar ze geweest zijn en wie ze hebben ontmoet. Albertine valt vermoeid van de dag op zijn bed in slaap en hij kan volledig van haar genieten. Zijn jaloezie verdwijnt en hij ziet een andere Albertine dan degene die hij zich herinnerde. Als hij later hoort dat zij de volgende avond naar de soiree van Mme Verdurin wil gaan komt zijn jaloezie weer terug. Marcel probeert de visite te voorkomen omdat hij vermoedt dat de dochter van de componist Vinteuil speciaal voor haar ook komt. Hij haalt Alberine over om naar het matinee in het Trocadéro te gaan.

Marcel ontwaakt opnieuw en hoort in de geluiden van de straatverkopers aria’s van opera’s. Albertine komt bij hem en ze praten op de manier van verliefden terwijl ze dat niet meer zijn. Ze bedenken maaltijden die ze van de aangeboden waar kunnen bereiden. Albertine vertrekt naar het matinee en Marcel gaat voor het raam staan en wordt van afstand verliefd op de passerende dienst- en winkelmeisjes. Hij vraagt aan huishoudster Françoise om ze waar mogelijk naar zijn kamer te sturen. Een melkmeisje valt van dichtbij tegen en hij verzint een boodschap voor haar. Daarvoor zoekt hij een adres op in de Figaro en ontdekt dat Lea optreedt bij het matinee waar Albertine naar toe gaat. Meteen slaat zijn jaloezie weer toe en hij pijnigt zijn geheugen over eerdere ontmoetingen tussen Lea en Albertine. Hij geeft huishoudster Françoise opdracht om Albertine bij hem te brengen onder het mom dat hij onwel is geworden. Ze telefoneren al snel dat ze eraan komen en Marcel is weer even gerustgesteld. Hij neemt achter de piano plaats en speelt de Sonate van Vinteuil. Hij herkent daarin Wagners Tristan en mijmert nog wat door over de grootheid van de meester van Bayreuth. Als Albertine thuiskomt gaan ze meteen uit rijden en Marcel realiseert zich wat hij allemaal mist door zijn relatie met Albertine. Hij kan daardoor niet naar Venetië en alle meisjes op straat zijn onbenaderbaar. Maar hij realiseert zich ook dat die meisjes juist mooi worden doordat hij gebonden is aan Albertine. Aan het eind van deel 1 sterft de schrijver Bergotte terwijl hij voor Het gezicht op Delft van Vermeer zit en naar het gele stukje muur kijkt. Marcel realiseert zich dat hij net zo gelaagd moet schrijven als Vermeer schilderde.

Marcel laat Albertine thuis achter en gaat naar de soiree van Mme Verdurin. Hij komt eerst Charlie Morel tegen die erg bedroefd is over zijn verloving met het nichtje van Jupien en zijn relatie met Baron de Charlus. Vervolgens ontmoet hij de tekstgeleerde Brichot die nu ondanks de oogoperaties bijna blind is. Ze worden aangesproken door Baron de Charlus die schaamteloze grapjes maakt over hun vermeende homofiele relatie. De baron is een oude uitgebluste man geworden die opvallend te koop loopt met zijn geaardheid. Zijn voornaamste bezigheid is het promoten van zijn protegee Charlie Morel. Het feit dat Morel ook vrouwelijke relaties heeft maakt hem niet jaloers maar geeft juist meer glans aan zijn liefde. De door Charlus geïntroduceerde vrienden die naar Morel komen luisteren hebben geen ontzag voor Mme Verdurin en overheersen haar soiree. Morel speelt een septet van Vinteuil en Mme Verdurin gaat er met een air speciaal voor zitten. Ze wordt genegeerd en alleen de koningin van Napels is aardig en geïnteresseerd in haar. Marcel wordt weer jaloers als hij hoort dat de dochter van Vinteuil heeft afgezegd en denkt dat het vanwege Albertine’s afwezigheid is. Mme Verdurin is kwaad op Charlus en probeert hem en Morel uit elkaar te drijven. Alleen vriendschappen binnen haar salon zijn toegestaan en daarbuiten mag er niets meer gebeuren. Ze vindt dat Morel moet kiezen tussen haar en de baron. Brichot en Marcel moeten de baron aan de praat houden zodat zij Morel kan bewerken. Hij is zo onder de indruk van haar argumenten dat hij meteen afstand van Charlus neemt. Deze is verbijsterd en zou in eigen kringen als een razende tekeer zijn gegaan. Nu als aristocraat onder burgers kijkt hij beteuterd om zich heen en wordt gered door de koningin van Napels. Zij is teruggekomen voor haar vergeten waaier, herkent Mme Verdurin niet meer en kiest resoluut partij voor haar eigen aristocratische milieu.  Charlus kan geen wraak op de Verdurins nemen want hij krijgt even later een longontsteking en zweeft wekenlang dicht bij de dood. Hij verliest zijn scherpe randjes en zijn teloorgang zet door.
Marcel is tevreden dat Albertine thuis op hem wacht maar vindt het ook vervelend om niet in een leeg huis terug te keren. Albertine is kwaad dat Marcel alleen naar Mme Verdurin is gegaan en ze krijgen woorden over zijn  jaloerse insinuaties omtrent Mle Vinteuil. Albertine verspreekt zich dat ze soms vrij wil zijn en Marcel probeert zijn pijn te maskeren door de liefde te beëindigen. Hij zegt dat ze vanavond al afscheid moeten nemen en zij de volgende ochtend zonder hem te zien moet vertrekken. Hij speelt blufpoker want hij wil juist dat ze het weer goedmaken. Hij houdt het lang vol en pas als Albertine echt denkbeeldig afscheid neemt van haar kamer komt hij met het voorstel om het nog een weekje aan te zien. Ze gaan terug naar hun kamers en als Marcel haar 5 minuten later opzoekt is zij al in slaap gevallen. De volgende ochtend wordt het oude leven van bezitten en jaloezie doorgezet. Marcel denkt weer over Venetië en Albertine houdt van hem als de onschuld zelf. De winter gaat voorbij en het komt weer goed tussen hen. Als Marcel plannen gaat maken om zonder afscheid naar Venetië af te reizen blijkt dat Albertine ’s ochtends om 9:00 voorgoed vertrokken is. Marcel voelt zijn hart ineen krimpen en merkt dat hij weer verliefd op Albertine is geworden.

Het hoofdthema van De gevangene is de koppeling tussen de liefde en de jaloezie. Volgens Proust kan het een niet zonder de ander bestaan. De jaloezie is een gevolg van de liefde en zonder die jaloezie zou de liefde niet kunnen bestaan. Alleen als Marcel weet dat Albertine thuis is kan hij haar vergeten en naar andere vrouwen kijken. Als ze zonder hem op stap is moet hij constant denken hoe ze ontmoetingen heeft met potentiële concurrenten.

Ik voelde dat mijn leven met Albertine enerzijds, wanneer ik niet jaloers was, niets dan een last was, anderzijds, wanneer ik jaloers was, niets dan leed.    2-224

In de Franse titel La Prisonnière is de gevangene vrouwelijk dus is Albertine die gevangene. Maar Marcel blijkt net zo goed een gevangene te zijn. Hij kan alleen maar van iets houden dat hij niet bezit. Door zijn jaloezie denkt hij haar te verliezen en gaat hij weer van haar houden. Maar ook als zij veilig thuis is voelt hij zich in zijn vrijheid beknot om naar andere vrouwen te kijken. Het is precies dezelfde relatie als tussen Swann en Odette in Een liefde van Swann. Daar werd eerst Swann verliefd en verloor zijn interesse toen hij Odette veroverd had en zij op hem verliefd was.

Liefde, zowel in smartelijke onrust als in gelukkige begeerte, is aanspraak maken op alles. Zij ontstaat en duurt zolang er een deel te veroveren overblijft. Men heeft alleen lief wat men niet volledig bezit.     pag. 105

Filosofisch kan ik me zeker wel vinden in dat standpunt. Mijn liefde voor reizen, muziek, literatuur en fotografie is het ontdekken van nieuwe onbekende werelden. Zo gauw iets bekend is verdwijnt ook de interesse.  Het is een voortdurende zoektocht naar nieuwe impulsen en het nieuwe in het bestaande. Een dag zonder ontdekking is een dag niet geleefd. Het is best mogelijk dat dit een van de lessen is die Proust mij vroeger heeft geleerd. Want mijn instelling deel ik niet met iedereen. Vaak kunnen mensen juist genieten van het bekende en blijven ze bij hun voorkeuren die vroeger gevormd zijn. Ze zijn tevreden met hun wereld en kunnen die alleen maar verliezen.

De enige werkelijke reis, de enige verjongingsbron, zou niet zijn om naar nieuwe landschappen toe te gaan, maar andere ogen te hebben, de wereld te zien door de ogen van een ander, van honderd anderen, de duizend werelden te zien die ieder van hen ziet, die ieder van hen is; en dat kunnen zij met een Elstir, met een Vinteuil, met huns gelijken, dan vliegen wij werkelijk van ster tot ster.      (pag 2-80 – Elstir is schilder en Vinteuil componist)

Bij het overtypen van de ontknopingszinnen ontdek ik weer hoe vrouwonvriendelijk Proust soms kan zijn:

Zo zei ze naar aanleiding van wat dan ook “O ja! Is dat heus?” Had zij, zoals Odette gezegd: “Is dat heus waar, die grote leugen?”, dan had ik mij er zeker niet om bekreund, want alleen al het absurde van die formulering duidde op de stupide oppervlakkigheid van het vrouwelijk brein.     (pag 18/19).

…….. Maeterlinck (die zij overigens nu bewonderde, met de zwakheid van vrouwenhersens, gevoelig door die literaire modes die laat doorstralen) ……  32

Zulke uitspraken passen niet in de huidige tijd en kunnen lezers van zijn oeuvre vervreemden. Komen ze voort uit de eigen homofiele bewustwording van Marcel Proust in een tijd waar men daar niet openlijk voor uit kon komen? Ik weet er te weinig van om een oordeel te vormen. Het is zeker ook een karaktertrek van de aristocratische wereld die Proust beschreef en die met WW1 verdween. Het is ongehoord te lezen hoe Marcel aan zijn huishoudster Françoise vraagt om een aardige melkmeisje ter inspectie naar zijn kamer te sturen. Als zij tegenvalt stuurt hij haar met een boodschap weg. Duidelijk de wereld van een boven- en onderklasse die gelukkig grotendeels verdwenen is.

Door Albertine op te sluiten had ik tegelijkertijd de wereld al die glanzende vleugels teruggegeven die er ruisen op wandelpaden, op bals, in schouwburgen, en die weer verleidelijk voor mij werden doordat zij niet meer zwichten kon voor hun verleiding.      1-175

Bijna weemoedig neem ik afscheid van dit deel. Met het overschrijven van de ontknopingszinnen komt weer veel schoonheid naar boven. Ook schoonheid die het niet tot citeren haalt en voorgoed verloren gaat. Proust blijft ongrijpbaar in zijn diepte en verwondering. Je zou hem keer op keer moeten herlezen met het gevolg dat je daarmee ook weer zoveel andere boeken uitsluit. Zijn bijzonderheid is ook alleen maar te ontdekken in vergelijking met andere levende Proustiaanse schrijvers als Javier Marias of Mircea Cartarescu.

Marcel is zelf van mening dat knappe vrouwen voor mannen zonder fantasie zijn. Het is dus niet nodig dat zijn Albertine het knapste meisje is. Bij het googelen stuitte ik op zijn inspiratiebronnen Louisa de Mornand  (eerste foto boven) en Élisabeth de Gramont (laatste foto boven). Jammer dat nu mijn fantasiebeeld verstoord is maar ook fijn dat ik dichter bij Proust kon komen.

Het blijft heel moeilijk om de ontknopingszinnen uit het verhaal los te peuteren. Ze zijn zo lang dat ze amper in totaliteit overgeschreven kunnen worden. Toch blijft het een noodzakelijk proces in de waardering van Proust. Want alleen in zijn dialogen en associaties is hij onnavolgbaar en uniek. Voortdurend kom je in de verleiding om door te typen tot je het boek van kaft tot kaft hebt overgeschreven. Ik merk ook dat ik bij herlezing andere zinnen op mijn bladwijzer noteer dan op de bladwijzer van de eerste keer staan.

Snobisme is een ernstige, maar gelokaliseerde kwaal van de ziel, die er niet geheel en al door wordt aangetast.       deel 1-12

…. omdat immers welzijn veel minder uit een goede gezondheid voortvloeit dan uit het onbenutte overschot van onze krachten, kunnen wij er, evengoed als door die te versterken, toe geraken door onze activiteit te beperken. Die waar ik van overliep, en die ik in mijn bed potentieel in stand hield, maakte mij springerig, inwendig steigerend, als een machine die, verhinderd om van zijn plaats te komen, om zijn as draait.       1-24

Over de naast hem slapende Albertine:
Ik die verscheidene Albertines kende in deze ene, ik leek er nog andere naast me te zien liggen. Haar wenkbrauwen, gewelfd zoals ik ze nooit gezien had, omgaven de bolle oogleden als een donzen ijsvogelnest. Rassen, atavismen, verdorvenheden rustten op haar gezicht. Telkens als zij haar hoofd verlegde creëerde zij een nieuwe vrouw, vaak niet door mij bevroedt. Ik leek niet één. maar talloze meisjes te bezitten. Haar allengs diepere ademhaling tilde haar borst nu regelmatig omhoog, en, erbovenop, haar handen, haar parels, op een andere manier verschoven door dezelfde beweging, zoals die bootjes, die meerkettingen, die de golfbeweging doet schommelen.   etc etc etc      1-70

Juist omdat de tederheid er noodzakelijkerwijs geweest moet zijn om het leed te baren – en er trouwens bij tussenpozen weer zal zijn om het leed te stillen – ……… zelfs daarna is de nu en dan terugkerende tederheid noodzakelijk om het leed dragelijk te maken en een breuk te voorkomen; en uit de ontveinzing van de geheime hel die samenleven met een vrouw is, zelfs met vertoon van een intimiteit voorgegeven als teder, …… 1-78

Het is vreselijk om andermans bestaan aan het zijne verbonden te hebben als hield men een bom vast zonder dat men hem los kan laten zonder misdadigheid.     1-183

De natuur lijkt vrijwel alleen in staat korte ziekten teweeg te brengen. Maar de wetenschap heeft zich de kunst om ze te verlengen toegeëigend.     185

Want van bepaalde begrippen maken wij ons een zo vergrote voorstelling dat wij die onverenigbaar zouden vinden met de vertrouwde trekken van een ons welbekend persoon. En wij kunnen moeilijk geloven in de ondeugden, zoals wij ook nooit zullen geloven in het genie, van iemand met wie wij de vorige avond nog naar de opera zijn geweest.        2-46

‘Ach mijn waarde, ik, u weet, ik leef in het abstracte, dit alles interesseert mij alleen vanuit transcendent oogpunt, ‘antwoordde hij (Charlus), met de kwetsbare overgevoeligheid eigen aan zijns gelijken, en de geaffecteerde hoogdravendheid die zijn conversatie kenmerkte.      2-127

…. ik voelde dat ik alleen een gesloten omhulsel raakte van een wezen dat van binnen tot het oneindige voerde. Hoe leed ik onder die positie waartoe de nalatigheid van de natuur ons heeft gebracht doordat zij er bij het instellen van de scheiding der lichamen niet aan heeft gedacht de interprenetratie van de zielen mogelijk te maken.        2-217   

 

Voor het voorafgaande zie:

Deel 1: De kant van Swann – 1913

https://erikgveld.wordpress.com/2013/03/04/marcel-proust-1-de-kant-van-swann-1913/

Deel 2: In de schaduw van de bloeiende meisjes – 1918

https://erikgveld.wordpress.com/2014/08/29/marcel-proust-2-in-de-schaduw-van-de-bloeiende-meisjes-1918/

Deel 3: De kant van Guermantes – 1920/21

https://erikgveld.wordpress.com/2015/04/20/marcel-proust-3-de-kant-van-guermantes-192021/

Deel 4: Sodom en Gomorra – 1921/1922

https://erikgveld.wordpress.com/2016/07/08/marcel-proust-4-sodom-en-gomorra-19211922/