Skip to content

Mirceau Cartarescu – De wetenden

25/04/2011
25/10/2010 maandag
Ik heb iets met trilogieën. Het kan me niet groot genoeg worden. Geen probleem als het overzicht zoek raakt. Ook niet als het einde niet wordt gehaald. Vandaar mijn fascinatie voor Proust, Musil en Wagner. En in de huidige tijd Javier Marias (wiens deel 2 en 3 van Jouw gezicht morgen van mij snel in goedkopere herdruk mogen komen) en het tegenvallende Murakami 1q84. Dus als de Volkskrant lovend is over het eerste deel van de trilogie van Mirceau Cartarescu en hem zelfs met Proust vergelijkt kan ik niet anders dan meteen De wetenden kopen. (Het mag best duur zijn maar dan wel als hardcover en niet zoals Marias 3 € 45,- voor een paperback). De vertaler zal er wel zijn redenen voor hebben maar Verblind (Bedazzled), de linker vleugel zou een meer juiste vertaling zijn. Waarna volgt Verblind, het lijf en verblind, de rechter vleugel.
Cartarescu heeft letterlijk en figuurlijk een waanzinnige roman geschreven. Een boek om jezelf in te verliezen en op iedere pagina voldoende impulsen te ontvangen voor duizend nieuwe studies. (Zoals op de nagels van Cecilia afbeeldingen staan die stuk voor stuk worden verklaard: op de vingers 10 scenes uit het Nieuwe Testament en op de tenen 10 uit het Oude Testament.) Overdadig in iedere betekenis van het woord. Onleesbaar en toch weer zo leesbaar dat ik deel 2 ook wel zal aanschaffen. (Weet trouwens niet of ik het als digitaal boek zou kopen. Dan kan ik het niet voldaan na de inspanning als bewijs in de kast zetten en gaat het alleen maar om de leeservaring. Maar dit wordt een heel ander verhaal. )  Ik begrijp goed dat de schrijver na ieder deel even heeft moeten bijkomen van de inspanning. Deel 1 werd voor een groot deel in 1996 in Amsterdam geschreven toen hij daar een 2 jarig gastdocentschap vervulde. In Roemenië heeft hij er nog 4 jaar bijgeschreven. Vervolgens een paar jaar rust voor hij opnieuw 6 jaar aan deel 2 werkte. Etc.
In zijn uitbundige taalgebruik doet het me soms denken aan Dimitri Verhulst. En in zijn ingewikkeldheid aan James Joyce. (Zal ik nu wel toe zijn aan Ulysses? Of toch maar eerst Faulkner.)
Net als bij Proust begint het verhaal met de jonge Mircea (6 jaar) op zijn kamer. Hij woont op 6 hoog en heeft voldoende uitzicht over Boekarest om te kunnen dromen.
Als een edelsteen gevat in een ring van sterren vulde het nachtelijke Boekarest mijn raam, stroomde de kamer in en drong zover binnen in mijn lichaam en mijn geest dat zelfs in mijn puberteit zich een beeld aan mij opdrong dat bestond uit een mengeling van vlees, steen, hersenvloeistof, hoekstaal en urine, gestut door wervels en architraven, bezield door standbeelden en obsessies, verterend met darmen en krachtcentrales, die ons tot een eenheid zouden hebben versmolten.    pag. 13)
Vervolgens gaan we terug in de tijd naar zijn moeder Maria die zijn vader Costel ontmoet. Daarna weer vooruit naar een 15 jarige Mirceau die 2 keer in het ziekenhuis wordt opgenomen. Zijn gezichtspieren zijn verlamd en ze worden met elektroshock weer opgepept. Daar tussen nog een groot verhaal dat nergens mee te maken heeft en zich afspeelt in New Orleans. Het verhaal wordt vermoedelijk verteld door een zwarte drummer Cedric aan zijn moeder Mariaen gaat over Fra Armando, de albino Monsieur Monsú en Cecilia die aan de Wetenden zal worden geofferd.
En dan nog twee volkomen onbegrijpelijke hoofdstukken die wel als weerstand en test van de volharding van de lezer lijken te zijn ingebouwd. Van pagina 76 tot 90 wordt geprobeerd de Cosmos te duiden. Het is doorbijten of overslaan. Begrijpen is niet mogelijk. (Ben benieuwd hoe de vertaler met zo iets omgaat. Maar er zijn wel meer vertalingen dus hij kan naslaan. En heeft natuurlijk goed contact met de schrijver die alles zal doen om hem te helpen. Een hoogleraar literatuur zal graag zijn eigen werk zo goed mogelijk duidbaar willen maken.)
Het tweede ondoorgrondelijke deel zijn de laatste 60 pagina’s. Alle personages dalen af in een onderaardse zaal met gigantische afmetingen die bevolkt is door de Wetenden. Fra Armando probeert God te duiden, Monsieur Monsú iets duivels en de wetenden lijken wel het ultieme einddoel te zijn.
Er zijn meer momenten van losgeslagen fantasie, het lijken wel Zuid Amerikaanse leestoestanden.
·         De vader van Maria woonde vroeger buiten Roemenië. De doden op het kerkhof buiten het stadje worden tot  zombies,  richten een slachting aan onder de bevolking en Opa weet maar net te ontsnappen en vlucht naar Roemenië.
·         Maria bezoekt de begrafenis van een buurman en ze betreden de tombe. Het blijkt van oneindige afmetingen met vele gangen en beelden en heeft een kolossale zaal.
·         De schoonmaker van de standbeelden stoot een beeld om en hij klimt in de sokkel en komt ook in een onderaards gangenstelsel terecht.
·         Maria komt met Costel terug in haar vroegere buurt. Ze vindt een vrouw die sinds de vernieling van WW2 al 7 jaar in een onbruikbare lift heeft gestaan en daar een reusachtige vlinder heeft gebaard. De lift functioneert nog, de vrouw komt eruit en de vlinder vliegt weg. Ze maken een wandelingetje met de vrouw en ze gaat met de vlinder weer terug naar haar oude plek.
Het is je reinste magisch realisme. Ik kan het niet duiden en doe er ook weinig moeite voor. Het is een heerlijk leesavontuur en geeft voldoende stof tot overpeinzing.
En er zijn voldoende rake beeldspraken en ontledende observaties.
In het midden daarvan stak het vuur, als een kerkschilder, duizenden penselen de lucht in en kleurde nu eens een nerveuze paardenhoef, dan weer een bontjas met bloemenstiksels van katoengaren in blauwsel, goud en saffraan, dan weer een breed gezicht met vermoeide ogen of een veldfles met brosse leren riempjes en, op enige passen afstand van het kamp, het warrige nekhaar van een wolf.      63
Ik herinner mij, dus ik verzin. Ik vorm de verwarring van het ogenblik om tot zwaar, stroperig goud.       89
Deze tekst, die als schimmel of roest steeds meer blanco pagina’s opvreet, is het zweet, het sperma en de tranen die de lakens van een vrijgezel bezoedelen.     125
De uitleg over de Wetenden is te lang om over te schrijven. Zie pagina 239
In extase, terwijl ze de zoete amfetamine van het voorjaar opsnoven, stapten de twee jongeren arm in arm, al kletsend en lachend, voort door de gele en glaskoude lucht, en onderwijl vroeg Maria zich af hoe hij het voor elkaar kreeg om zelfs onder het lachen zijn voorhoofd te fronsen, en hij had het gevoel dat hij in zijn geheel bestond uit welriekende lucht en probeerde uit alle macht het algoritme van het meisje aan te voelen om het feilloos functioneren van haar geest te kunnen achterhalen (net als bij die problemen in almanakken waarbij je, met de wetenschap in welke richting het eerste tandwieltje in een ingewikkeld raderwerk draait, erachter moet zien te komen hoe het laatste zal draaien), het geheim te ontfutselen van het produceren van die vrolijke, dubbelzinnige, bittere, aarzelende glimlachjes, die van kleine grimassen van ongenoegen waar hij zo bang voor was, van die vage instemmingen met haar ogen en wenkbrauwen, van die vluchtige stembuigingen, van die kleine trillingen van haar neusvleugeltjes.            257
(want hoewel hij haar in zijn armen had gehouden, had Costel nooit durven verbeelden dat hij ooit de heerser zou zijn over een rijk van weefsels, klieren en herinneringen dat de naam Maria droeg en naar wiens havens hij tot aan de masten beladen galjoenen van verwachtingen, blikken, liefkozingen, zaadcellen, zonsondergangen zou sturen, het wanhopige flottieltje van een onmogelijke communicatie)     283
De zevende verdieping was bijna ontoegankelijk, toch durfde de lift, de levende en beweeglijke ziel van de flat, het aan om ernaar op te stijgen.        305

…. De lucht was nog zo kil als water uit de kraan.         306

Ik droeg alleen mijn shirt van tetrastof dat over mijn heupen lubberde en nauwelijks mijn billen en mijn ‘kraantje’ bedekte,  ………    308

Daarvandaan viel het licht schuin in dichte plakken, trillend als kristal.     311

Maar we zullen totaal geen zicht hebben op wat niet complementair is met de schijf van ons leven., zoals de personages van een film nooit de dikke lichtstraal zullen zien die hen projecteer, en evenmin de honderden ogen die vanuit de in duisternis gevulde zaal naar hen kijken.       453.
Maar je gaat je wel afvragen wie Mircea Cartarescu is. Hij raakt toch wel dicht aan het genie en de gek. Probeert hij werkelijk een serieus godsbeeld te bepalen?
(En in zekere zin is het zoeken zelf de uitgang, alsof de ruimte die jij met hoop en geloof doorloopt achter je verdikt en alsof de tunnel die naar buiten zich vormt, voor jou persoonlijk, alleen voor jou toegankelijk, als een porie die zich plotseling opent in de bloembladhuid van de godheid.       445).
Internet geeft natuurlijk antwoord op de vragen. Homoseksueel en succesvol schrijver, journalist en hoogleraar in Roemenië. Dus zeker geen krankzinnig randfiguur die met moeite gezond kan blijven. Ben benieuwd wanneer de vertaling met deel 2 klaar is. En of het er wel van zal komen.
Advertisements

From → literatuur

One Comment

Trackbacks & Pingbacks

  1. Mircea Cartarescu – De trofee – 2002 | Ontknoping

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: