Skip to content

Marcel Proust 1 – De kant van Swann – 1913

04/03/2013

Proust Portrait de Marcel Proust (peint en 1892, Proust a 21 ans)- Huile sur toile (73,5 x 60,5 cm) de Jacques-Émile Blanche (1861-1942) - Musée d'Orsay, J_E_Blanche_Marcel_Proust_01-01-2013Zo gauw er in een recensie maar wordt gehint naar Marcel Proust ben ik klaarwakker. Proust heeft altijd een grote plaats in mijn referentiekader ingenomen. Zijn boeken blijken nog steeds het ijkpunt voor het optimale in de literatuur.  De romans van Proustadepten Javier Marias en Mirceau Cartarescu hebben wonderbaarlijk leeservaringen opgeleverd. Maar omdat Proust zo prominent aanwezig blijft wordt het hoog tijd om te controleren of mijn referentiekader nog steeds schoon is. Is Proust nog steeds mijn mooiste leeservaring ?

Mijn kennismaking met Proust werd mede mogelijk gemaakt omdat de Bezige Bij net was begonnen aan de integrale vertaling van A la recherche de temps perdu. In 1966 verscheen na ruim 50 jaar de eerste Nederlandse vertaling.  De 7 boeken van A la recherche de temps perdu werden bewerkt tot 16 delen Op zoek naar de verloren tijd. Toen ik in 1975 (op aanraden van Sartre, Huxley en D.H. Lawrence) instapte waren er slechts 3 delen beschikbaar. Pas 24 jaar later was mijn serie in 1999 compleet met de aanschaf van het 16-de deel. Mijn leestempo werd dus bepaald door het vertaaltempo van Thérèse Cornips (die na de eerste 3 delen alles vertaalde). Gemiddeld kwam er dus  iedere 2 jaar een nieuw deel uit. Het was steeds een perfect verjaardagscadeau om aan ouders/schoonouders te vragen. De hfl. 25,- paste precies in het familiebudget en ik kon met oprecht genoegen het pakje uitpakken. (Een boek blijft tot nu toe het mooiste en bijna enige echte verjaardagscadeau)

Marcel Proust (1871-1922) is een Franse schrijver die als één van de grote 3 (samen met James Joyce en Robert Musil) de moderne literatuur heeft bepaald. Vanaf 9 jaar oud leed hij aan een astma die in de loop der tijd verhevigde. Hij schreef een groot deel van zijn roman ’s nachts in bed in zijn bewierookte slaapkamer en ging alleen nog maar op pad om onderzoek te doen.  Na een eerste romanpoging (Jean Santeuil) begon hij  in 1909 op 38-jarige leeftijd aan zijn meesterwerk  A la recherche du temps perdu. Hij heeft er 13 jaar aan gewerkt en stierf vlak nadat hij de laatste zin neerschreef. Zijn broer Robert heeft de laatste 3 delen geredigeerd.

In Op zoek naar de verloren tijd volgen we de ontwikkeling van de hoofdpersoon Marcel. De roman is geschreven in de eerste persoon verleden tijd en we delen in de diepste gedachten waarmee Marcel zijn wereld duidt. Hij is een scherp observator van externe en interne zaken. In weergaloos lange en ingewikkelde zinnen probeert hij inzicht te geven in de processen die zich bijna wetenschappelijk lijken te voltrekken. Deze ontknopingszinnen zijn voor mij het hoofdbestanddeel van de roman en veel belangrijker dan de handeling van het verhaal. Eigenlijk kun je op iedere willekeurige plaats een van de boeken openslaan en gaan lezen.

Het verhaal speelt zich af in het Franse aristocratische milieu aan het eind van de negentiende/begin twintigste eeuw.  Het is een starre en hiërarchische wereld die met de 2 opeenvolgende wereldoorlogen zal ophouden te bestaan. (De handeling vindt eigenlijk vlak voor die van Musils Man zonder eigenschappen plaats.) Marcel is upper-middle-class en hij betreedt geleidelijk aan steeds hoger geplaatste maatschappelijke kringen.  Veel van zijn fictieve romanpersonages  zijn geënt op werkelijk bestaande figuren.

De basisfilosofie van Proust  is dat het leven eigenlijk niet direct geleefd kan worden. Door het de rug toe te keren wordt het op een geheel andere wijze en in superieure vorm opnieuw ontdekt. Het leven gaat verloren in de tijd en deze verloren tijd is te achterhalen in de kunst. De kunstenaar laat ons ervaren wat wij zonder hem nooit te weten komen. Hij voegt aan onze persoonlijke wereld een nieuwe artistieke wereld toe die elders en onafhankelijk van ons een zelfstandig bestaan lijdt.

De invloed van Proust op mijn persoonlijke leven kan moeilijk overschat worden. Hij overstijgt de literatuur-ervaring. Mijn innerlijke wereld en levensfilosofie zijn gevormd en verruimd door zijn invloed. Er is letterlijk een nieuwe wereld opengegaan waarin het beschouwen en waarnemen een belangrijke plaats inneemt. Maar daarnaast is het natuurlijk ook mogelijk dat ik die instelling al  bezat en juist daardoor zo vatbaar was voor Proust. Zoals bij veel zaken in het leven zal de waarheid wel ergens in het midden liggen.

Boek 1 van Op zoek naar naar de verloren tijd werd in 1913 uitgegeven en heet De kant van Swann.  Dit deel bestaat weer uit 2 delen die in Nederland afzonderlijk zijn uitgegeven. Combray en Een liefde van Swann . Later kwam daar nog een heel dun derde deeltje bij: Plaatsnamen: de naam. (dat zal ik bij Proust 2 beschrijven)

Combray

In 1970 vertaalt door C.N. Lijsen en uitgegeven door de Bezige Bij. Gekocht in 1975 en gelezen in 1976 en 1986 (en onlangs weer in 2012)

We volgen een nog jonge Marcel gedurende de zomervakanties die hij met zijn ouders doorbrengt in het huis van zijn grootmoeder in Combray (=Illiers vlak bij Chartes ten ZW van Parijs).  Zijn slaapkamer is als een universum waarin hij wacht op de nachtzoen van zijn moeder. De tuin is de leesplek waar hij  zijn gedachten de vrije loop kan laten.
De familie heeft 2 wandelingen tot hun beschikking. Ze liggen echt tegenover elkaar zodat je met de voor- of achterdeur het huis moet verlaten. De kant van Guermantes brengt hun langs het landgoed van de gravin van Guermantes. De kant van Méséglise-la-Vineuse voert langs het woonhuis van Charles Swann en wordt daarom de Kant van Swann genoemd.
Het verhaal wordt zeer gefragmenteerd verteld. Er is geen handeling maar meer een verzameling personen die met het huis en de omgeving verbonden zijn: zijn geadoreerde moeder, de rationele vader, zijn lieve maar strenge oma, haar zuster de zieke tante Leonie, de praktische huishoudster Francoise, familie Swann, de gravin Guermantes, een schoolvriend Bloch en de schrijver Bergotte (geënt op Anatole France en Henri Bergson). Maar aan ieder ander object wordt net zo makkelijk een veelvoud aan bespiegelingen opgehangen: de kerk van Combray, de meidoornhaag in de tuin van Swann, het Madeleinekoekje van tante Leonie en het uitzicht vanuit haar raam.
Aan het einde van het verhaal ziet Marcel tijdens een wandeling in de tuin van Swann zijn dochter Gilberte zitten. Hij wordt verliefd op dit onbereikbare ideaalbeeld. Nadere kennismaking wordt door zijn ouders verboden vanwege de slechte reputatie van Odette Swann. (Maar blijkt in het vervolg, In de schaduw van de bloeiende meisjes, in Parijs wel mogelijk).

Het kernidee van de romancyclus wordt meteen op pagina 54 prijsgegeven als hij het Madeleine koekje proeft dat tante Leonie hem altijd voorschotelt.
Maar als van een oud verleden niets meer is overgebleven na de dood van de personen en het vergaan van de dingen, dan blijven alleen, brozer maar levendiger, immaterieel maar duurzaam, bestendiger en trouwer, de geur en de smaak nog lang als dolende zielen hun leven voortleven, herinneren, wachten, hopen en op de brokstukken van al het overige, in een bijna onwerkelijk klein druppeltje, weten zij het geweldige bouwwerk van de herinnering volkomen intact tot ons te brengen.
En zodra ik de smaak herkende van het stukje Madeleine, dat mijn tante mij, in de lindebloesemthee gedoopt, placht te geven, kwam het grijze oude huis aan de straat waar haar kamer op uitkeek, als een toneeldecor tevoorschijn en voegde zich bij het kleine paviljoen dat op de tuin uitkwam en dat voor mijn ouders aan de achterzijde was gebouwd en met het huis de stad, van de ochtend tot de avond en in weer en wind, het plein, waar men mij voor het middageten naar toe stuurde, de straten waar ik boodschappen deed, de wegen die we namen als het mooi weer was. En zoals in dat Japanse spel waarbij men kleine propjes papier in een porseleinen kom met water gooit, die zodra ze ondergedompeld zijn, zich uitvouwen, kromtrekken, kleuren aannemen, zich differentiëren en bloemen, huizen en duidelijk herkenbare figuren worden, op diezelfde manier kwamen nu alle bloemen van onze tuin en die uit het park van meneer Swann, de waterlelies op de Vivonne, de brave mensen uit het dorp en hun kleine huisjes en de kerk en heel Combray en zijn omgeving, alles wat vorm en vastheid heeft, de stad en de plantsoenen, uit mijn kopje thee.          pag. 54/55

En dan overige ontknopingszinnen waarbij je met overschrijven amper weet waar te beginnen en hoe te stoppen. Eigenlijk zou je het hele boek moeten overschrijven. Deze zinnen zijn voor mij de kern van Proust. Ze zijn niet anders over te dragen dan letterlijk te citeren. (en niet teveel klagen over mijn afhankelijkheid van de kwaliteiten van de vertaler)

Zo is het ook met ons verleden. Vergeefs proberen wij het weer op te roepen, onze geest spant zich voor niets in. Het zit buiten zijn gebied en zijn reikwijdte verborgen in een of ander stoffelijk voorwerp (in het gevoel dat dit voorwerp in ons opwekt) en we hebben er geen vermoeden van in welk. En of wij voor onze dood op dit voorwerp stuiten of nooit ontmoeten, hangt alleen van het toeval af. 51

Ik zet mijn kopje neer en richt mij tot mijn geest. Hij moet de waarheid vinden. Maar hoe? Een ernstige onzekerheid begint, zoals altijd wanneer de geest zichzelf overtreffen voelt; wanneer hij, de zoeker, tegelijk het donkere landschap is waar hij moet zoeken en waar al de bagage die hij meesleept geen waarde heeft. Zoeken? niet alleen dat: scheppen. Hij staat voor iets dat nog niet is en dat alleen hij kan realiseren en dan in zijn eigen licht kan brengen. 52

“Nee hoor, mevrouw Ostave, zo kostbaar is mijn tijd nu ook weer niet; hij die hem gemaakt heeft heeft hem niet aan ons verkocht.”    64

Combray - IlliersHet oude, donkere pokdalige portaal waardoor wij naar binnen gingen was helemaal scheef en uitgesleten in de hoeken (evenals het wijwatervat waar het ons heen leidde) alsof het zacht erlangs strijken van de wijde mantels van de boerinnen bij het binnenkomen en de lichte aanraking van hun verlegen vingers als ze wijwater namen, door de eeuwenlange herhaling een vernietigende kracht gekregen hadden, het steen weggedrukt en gegroefd hadden zoals de wielen van de kleine boerenrijtuigen in het kilometerpaaltje slijpen waar ze elke dag tegenaan botsen.        67

De grafstenen in de kerk, waaronder het edele stof van de abten van Combray, die daar begraven zijn, in het koor een soort geestelijke bevloering maakte, waren zelf allang geen levenloze harde materie meer, want de tijd had hen zacht gemaakt en een honingachtige substantie uit de voegen van hun stenen blok doen vloeien die hen met een blond schijnsel omfloersten soms een met bloemen en ranken versierde gotische letter  in de stroom meevoerde of de witachtige viooltjestint van het marmer er in liet verdrinken; en op andere plaatsen waren ze als het ware opgeslorpt, werd de afgekorte Latijnse inscriptie nog meer samengetrokken en kreeg de plaatsing en kreeg de plaatsing van die losse lettertekens een nog grilliger vorm, doordat twee letters van het woord te dicht bij elkaar kwamen, terwijl andere weer een te grote tussenruimte hadden.   68/69 ……….

………, een gebouw dat, om zo te zeggen, een ruimte beslaat van vier dimensies – waarvan de vierde de tijd is – en dat met zijn door de eeuwen heen glijdende schip van galerij tot galerij, van kapel tot kapel, niet maar enkele meters af te leggen en te overwinnen scheen, maar opeenvolgende tijdvakken waaruit het zegevierend tevoorschijn kwam; de ruwe en grimmige elfde eeuw verborg het in de dikte van zijn muren waaruit hij met zijn zware , door grove blokstenen bedekte en afgeschutte booggewelven slechts zichtbaar werd door de diepe inham die de trap naar de klokketoren dicht bij het portaal maakte, maar, zelfs daar, verstopt achter bevallige gotische arkaden, die zich koket naar voren schoven, ongeveer zoals grote zusters glimlachend voor een boerse, knorrige, slecht geklede kleine broer gaan staan, om hem tegen vreemde blikken te beschermen; in de hemel boven het plein verhief het haar toren, die Lodewijk de Heilige reeds gezien had en hem nog steeds scheen te zien; met haar onderaardse gewelven drong zij door in een Merovingische duisternis waar, als wij op de tast onder de donkere en als vleugels van een reusachtige stenen vleermuis machtig generfde gewelf voortbewegen, Theodor en zijn zuster met een kaars het graf van het dochtertje van Sigbert verlichtten, waarop …….etc, etc.        70

En was mijn gedachtewereld zelf niet zoiets als een hutje waarin ik mij verstopte, zelfs wanneer ik een blik naar buitenwereld wierp om te kijken wat daar gebeurde?  Zodra ik een voorwerp buiten mijzelf waarnam, stelde het bewustzijn dat ik het zag, zich tussen dat ding en mij op en omgaf het met een dun geestelijk randje dat mij belette de materie rechtstreeks te beroeren; het vervluchtigde als het ware voordat ik er contact mee kreeg, zoals een een verhit lichaam waar men iets vochtigs tegenaan houdt, nooit de vochtigheid zelf aanraakt omdat daartussen altijd een verdampingszone ligt.          94/95

Ongeveer ter halve hoogte van een onduidelijk soort boom was een onzichtbare vogel bezig de dag te korten door met een lang aangehouden fluittoon de alom aanwezige eenzaamheid af te tasten, maar hij kreeg een zo eenstemmig antwoord, een soort terugkaatsing van niets dan stilte en diepe rust, dat het leek alsof hij voor eeuwig het ogenblik vasthield dat hij zoeven nog geprobeerd had sneller te laten voorbijgaan.         152

Soms bewoog langs de namiddaghemel de nog nevelige witte maan, heimelijk en zonder glans als een actrice die nog niet hoeft op te treden en die vanuit de zaal in wandelkostuum een poosje naar haar collega’s kijkt, zich op de achtergrond houdt en niet wil dat men op haar let.          161

Ik zag ze (=de medemensen) nu niet anders dan als zuiver persoonlijke, machteloze, hersenschimmige scheppingen van mijn gevoel. Ze hadden geen verbinding meer met de natuur, met de werkelijkheid die van toen af aan elke bekoring en  elke betekenis verloor en nog slechts een conventionele omlijsting van mijn leven was, zoals een spoorwagon het is voor een roman die de reiziger leest om de tijd te doden.         175

Vervolgens kwamen we op de maliebaan waar je tussen de bomen de klokkentoren van Saint-Hilaire kon zien. En daar had ik liefst de hele dag willen blijven zitten om te lezen en de klokken te horen; want het was daar zo mooi en zo stil dat de slagen van de klok de rust van de dag niet verstoorden, maar hem veeleer bevrijdden van zijn inhoud, en dat de klokkentoren met de indolentie en verzorgde stiptheid van iemand die niet anders te doen heeft, op het juiste moment uit de volheid van de stilte alleen die paar gouden druppels perste en liet neervallen die de warmte daar langzaam en volgens een natuurlijke loop verzameld had.         183

En toen, geheel buiten elke literaire aspiratie  om en zonder enige gedachte daaraan, werd mijn aandacht gevangen door een dak, een stukje zon op een steen, de geur van een weg, en dat alles bezorgde me een speciaal genoegen dat teweeggebracht werd doordat het leek dat die dingen achter datgene wat ik zag nog iets anders verborgen en dat ze mij uitnodigden dat te gaan zoeken maar wat ik ondanks al mijn pogingen niet vermocht te ontdekken.    196

Een liefde van Swann

Een liefde van Swann

In 1966 vertaald door M.E. Veenis-Pieters en uitgegeven door de Bezige Bij. Gekocht in 1975 en gelezen in 1975 en 2012.

Het enige deel van de cyclus dat niet in de eerste maar in de derde persoon is geschreven. Het is een roman in een roman.  Bij herlezing moet ik mijn mening bijstellen dat dit de perfecte inleiding tot Proust is. De persoon Swann is een minder scherp observator dan de Marcel van de overige delen. Swann wordt te veel door zijn driften gedreven en vooral zijn jaloezie is een monotone en uitputtende leeservaring. Het is deze pessimistische visie op de liefde die me nu tegenstaat.  Heel vreemd hoe mijn huidige voorkeur omgekeerd is aan mijn herinnering.
Het aantal ontknopingszinnen valt ook een beetje tegen. Kan natuurlijk altijd komen omdat ik niet met de juiste aandacht heb gelezen. Proust zal beamen dat je bij herlezing iedere keer weer een volkomen ander boek leest. Kan natuurlijk ook komen omdat de vertaling van M.E. Veenis-Pieters te kort schiet. Is het daarom in 2009 opnieuw vertaald door Thérèse Cornips?

We doen een stapje terug naar de tijd wanneer  Charles Swann door zijn maîtresse  Odette de Crécy wordt geïntroduceerd in de kring van Mme Verdurin. Het is beneden zijn stand maar hij ziet het als een avontuurtje.  Swann is een man van de wereld, immoreel en principeloos en vindt het fijn om Odettes ordinaire smaak te delen. Hij onderhoudt haar en kan iedere nacht bij haar doorbrengen. Het thema in  de pianosonate van Vinteuil wordt het symbool van hun liefde. Maar vanwege de voorspelbaarheid van de relatie neemt zijn interesse langzaam af. Tot het ogenblik dat Odette al is vertrokken als Swann bij de Verdurins arriveert. Hij wordt prompt verliefd op haar. Een liefde die het gevolg is van zijn jaloezie. Als Odette hem al haar aandacht zou geven zal deze verliefdheid weer verdwijnen. De jaloezie maakt hem achterdochtig en hij vermoedt dat  zij hem bedriegt.  Hij mag haar namelijk alleen nog maar bezoeken als zij dat toestaat. Odette verhoogt de spanning door openlijk met graaf de Forcheville te flirten. Swann gaat haar heimelijk controleren, zijn liefde wordt een kwelling en hij kan niet meer normaal functioneren. Hij wordt uit kring van de Verdurins gestoten en blijft ogenschijnlijk met lege handen achter. Pas als Odette   tegenover anderen haar bewondering voor Swann uitspreekt verdwijnt zijn jaloezie en eindigt zijn liefde.  (In tegenstelling tot het vorige en volgende deel waarin hij tevreden is  getrouwd met diezelfde Odette.)

Het verhaal speelt zich af rond de salon van de Verdurins met de nodige mooie en treffende karakters als de wereldvreemde dokter Cottard uit Combray, de schilder Biche, de verlegen Sarriette , de snob graaf de Forceville en de geschiedenis professor Brichot.

Monsieur Verdurin, die het een beetje vermoeiend vond voor zo’n kleinigheid te gaan lachen, liet het  intussen bij een trekje aan zijn pijp, daarbij somber overwegend dat zijn vrouw op het terrein van de aanminnigheid niet meer in te halen was.        64

………., voegde hij er met een lichte ontroering aan toe die wij voelen wanneer wij zonder er ons rekenschap van te geven iets zeggen, niet omdat het waar is, maar omdat wij prettig vinden dat te zeggen, terwijl wij het tegelijkertijd onze eigen stem horen vertellen alsof het niet uit onszelf, maar ergens anders vandaan komt, ……….   102

Hij kon niet dieper op deze gedachte ingaan, want een vlaag van geestelijke luiheid, die hem regelmatig als een natuurlijke zelfbescherming overviel, doofde op dat ogenblik elke helderheid in zijn geest uit, even volkomen en plotseling als, toen overal elektrische verlichting was aangelegd, de elektrische stroom in een woning afgesneden kon worden. Zijn gedachten tastten nog wat in het duister rond, hij zette zijn bril af, veegde zijn glazen schoon, streek met de hand langs zijn ogen en zag eerst weer enige helderheid toen een geheel andere gedachte in hem opkwam, namelijk etc etc.   123/124

Hij wist  dat alleen al de herinnering aan de piano zijn kijk op alles wat met muziek verband hield, vervalste, dat de speelruimte die de musicus tot zijn beschikking heeft niet een armzalig toetsenbord van 7 tonen is, maar een onmetelijk toetsenbord, nog bijna geheel onbekend, waarop slechts hier en daar, gescheiden door dichte ondoorgrondelijke nevels, enkele van de miljoenen mogelijkheden tot ontroering, hartstocht,  levenslust en klaarheid – evenzeer van elkaar verschillend als de ene wereld van de andere- door een paar grote kunstenaars ontdekt werden die ons de grote dienst bewijzen, door datgene in ons wakker te maken dat overeenkomt met het thema dat zij gevonden hebben, aan te tonen welk een rijkdom er schuilt in die diepe ondoorgrondelijke, ontmoedigende nacht van onze ziel die wij zien als een leegte, als niet bestaand.       214

Proust

Advertisements

From → literatuur

5 reacties
  1. Joost permalink

    Ik heb zelf alleen Combray gelezen, vond ik erg mooi, maar een liefde van Swann minder, en daar is het toen bij gebleven. Iets daarvan lees ik bij jou terug. Ga je ze allemaal herlezen?

  2. Filip Bellinck permalink

    Heb de cyclus bijna uit. Heb er, met een aantal onderbrekingen, 2 jaar over gedaan, met uitzondering van deel 1 dat ik vroeger al had gelezen. Het is mijn bedoeling alles te herlezen, te beginnen met deel 1. 5 jarenplan. Het is mijn Bijbel.

Trackbacks & Pingbacks

  1. Marcel Proust 3 – De kant van Guermantes – 1920/21 | Ontknoping
  2. Marcel Proust 4 – Sodom en Gomorra – 1921/1922 | Ontknoping

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: