Skip to content

Julien Gracq – De kust der Syrten – 1951

03/02/2014

Gracq, Julien

Na de recente wederopstanding van Joseph Maria de Sagarra en John ‘Stoner’ Williams zou Julien Gracq ook opnieuw een kans moeten krijgen. Zijn romans zijn in Nederland alleen nog maar tweedehands te koop. Ik stuit thuis door een gecreëerd toeval bij het zoeken naar een vakantieboek op een Franse boekenkastdochter.  Al sinds 1985 staat De kust van de Syrten geduldig op me te wachten. Het boek was al verhuisd naar de tweede keuskast op de slaapverdieping en zou bijna zomaar ongelezen en dus kansloos via de derde keus op zolder zijn afgevoerd. Het is in 1981 vertaald en kwam 4 jaar later al in de uitverkoop waar ik hem impulsief kocht. Dus 25 jaar geleden was Julien Gracq ook al zo goed als vergeten. In mijn Britannica uit 1978 wordt hij zelfs niet eens genoemd. In de 6de uitgave van de Oosthoek uit 1966 krijgt hij slechts 13 regels. (Hermetisch, maar koel geschreven werk waarin romantiek en surrealisme samengaan, echter intellectueel helder en in een ongekunstelde stijl.) De Moderne Encyclopedie van de Wereldliteratuur geeft hem in 1963 nog 3 kolommen. De herziene tweede druk uit 1980 heeft zijn artikel al tot de helft ingekort. Toch blijkt Gracq niet helemaal vergeten want in 2006 hoort hij weer bij de 1001 Boeken die je gelezen moet hebben van Peter Boxall.

Julien Gracq is een pseudoniem van Louis Poirier (1910-2007). Hij komt uit Bretagne, studeerde politicologie en reisde het nodige tot hij van 1945 tot 1970 geschiedenisleraar in Parijs werd. Hij hield zich afzijdig van het literaire leven en weigerde dan ook de Prix de Goncourt die hij in 1951 voor de Kust der Syrten kreeg. Het was zijn derde van de 4 romans die hij naast zijn gedichten en essays publiceerde. 

De kust der SyrtenGracq wil het raadsel van het leven eerder vergroten dan oplossen. De sfeer en het gevoel zijn voor hem veel belangrijker dan het verhaal. In een desolate trage taal wordt een mysterieuze en onheilspellende dreiging opgeroepen. Al na 30 pagina’s is het in De kust der Syrten duidelijk dat het niet goed kan aflopen voor het hoofdpersonage Aldo. Zijn afwachtende filosofische instelling zal hem de volgende 270 pagina’s alleen nog maar meer rampspoed brengen. Die onzekerheid wordt versterkt door een wollige en ondoorgrondelijke brij van halve waarheden en insinuaties. Het verhaal lijkt helder in de eerste persoon verleden tijd verteld maar niets blijkt eenduidig en begrijpbaar.  De lezer deelt het lot van Aldo tenvolle en glijdt langzaam maar zeker mee naar zijn ondergang.
De tijd waarin het verhaal zich afspeelt lijkt gesitueerd in de nadagen van de Venetiaanse Republiek. De hoofdstad Orsenna ligt aan dezelfde zee als die van de afgelegen kust der Syrten. Een syrte (of sirte) is een ondiepe kuststrook met zandbanken. De Mongolen dreigen in de verte en de christelijke kerken hebben Perzische koepels. Toch is het niet helemaal geschiedenis want de vissersboten zijn uitgerust met een motor. Aan de overkant van het water ligt Farghestan waar Orsenna  sinds mensenheugenis mee in oorlog is. Er is sprake van een langdurige wapenstilstand en niemand weet meer wat de aanleiding van de strijd was.

Aldo is een verveelde adellijke jongeling die zich ten einde raad  door de Sinjorie van Orsenna laat uitzenden naar de afgelegen kust van de Syrten. Hij wordt als Waarnemer gestationeerd  in een oud vervallen fort dat de Admiraliteit wordt genoemd. De manschappen vinden hun vertier in de naastgelegen decadente en vervallen lagunestad Maremma. Maar Aldo sluit zich af van het sociale leven en vervalt in een lusteloos mijmeren en afwachten. Tot hij bij toeval wordt bezocht door zijn jeugdliefde Vanessa Aldobrandi. Zij woont tijdelijk in Maremma en probeert de banden weer aan te trekken. Aldo ziet tijdens een avondwandeling een schimmig bootje voor de kust dat zich snel verwijdert en ontdekt later datzelfde illegale bootje bij zijn bezoek aan de verlaten ruïnestad Sagra. Hij vermoedt dat Farghestan zijn spionnen op verkenning heeft uitgestuurd. De manschappen van het fort worden tewerkgesteld op het landgoed Ortello. Als deze dienstverlening onverwacht wordt beëindigd worden ze beziggehouden met onderhoudswerk aan het fort. De bevolking denkt onterecht dat het vanwege een toenemende oorlogsdreiging is. Aldo vaart met Vanessa naar het verlaten eiland Vezzano en werpt een blik op het rotsblok Tängri dat halverwege Farghestan ligt. Bij hun terugkomst is de spanning in Maremma nog meer opgelopen en verschijnen er onheilsprofeten die het einde der tijden verkondigen.
Aldo besluit tegen alle orders in naar de overkant te varen en maar wordt daar door kanonvuur verwelkomt. Hij kan ternauwernood onder dekking van de mist omkeren en terugvaren. Als hij ’s avonds schriftelijk verslag wil uitbrengen aan de Sinjorie wordt hij bezocht door een vertegenwoordiger van Farghestan. Ze willen het voorval vergeven en dreigen met een tragisch vervolg. Aldo reageert heel kribbig en de mannen kunnen geen normaal gesprek voeren. Vroeg de volgende dag gaat Aldo naar Vanessa en vindt Maremma in rep en roer. Aldo’s overtocht is het gesprek van de dag.  De commandant van het fort besluit hem niet te veroordelen voor zijn overtreding. Hij had wel door dat het met zo’n onafhankelijke geest als Aldo een keer moest gebeuren. Hij is te oud geworden voor de toekomst en pleegt zelfmoord door zich tijdens een nachtelijke inspectie van de vestingmuur te werpen. Zijn lichaam verdwijnt in de zee en wordt nooit meer gevonden. Het fort wordt versterkt en Aldo gaat naar Orsenna om zich te verantwoorden. Als hij aankomt blijkt de stad veranderd. In de steegjes van de oude bovenstad is een revolutionaire geest bespeurbaar. De oude revolutionair Aldobrandi is teruggekeerd van verbanning en wint aan invloed. Het gesprek van Aldo met de Signorie is een persoonlijk onderhoud met de oude Daniël. Hij is degene die alle touwtjes in handen heeft en spreekt over het naderende einde van Orsenna. De eerste grondtroepen van Farghestan zijn al door de woestijnvolken van de Syrten gesignaleerd. Aldo wordt vrijgesproken en hij mag terugkeren naar de Admiraliteit. Bij het weglopen merkt hij voor het eerst dat het geluid van zijn voetstappen zich zinvol een weg baant in de duisternis van de nacht.

Het verhaal heeft elementen van de gothic novel. Je zou helemaal niet vreemd opkijken als er onverwacht een vampier om de hoek kijkt. Aldo’s decadente denkwereld doet me denken aan die van Joris-Karl Huysmans (1848-1907). En voor de schimmige vervallen lagune stad Maremma  komen de duistere beelden van Bladerunner (Ridley Scott – 1982) naar boven. Ondanks dat het boek veel meer in de fantasy dan in de sciencefiction hoek zit.
HR_56600100241730_1
Voor de zinnen kan ik geen referenties vinden. Ze zijn volkomen origineel en zo zwart heb ik denk ik nog nooit gelezen. Het letterlijk citeren is de enige manier om de stemming van het boek te bewaren en opnieuw te beleven. Het is ook een groot genoegen om even zo dicht bij Julien Gracq te kunnen zijn.
Maremma was nu een dode stad, een hand die vast en verbeten zijn herinneringen omsloot, een gerimpelde, melaatse hand, oneffen door de korsten en puisten van haar ingestorte pakhuizen en van haar door hondsgras en brandnetels aangevreten pleinen.      76
De stijgende koortscurve die de stad ondermijnde stond meedogenloos in de registers vol vlekken van vuile vingers genoteerd, en te oordelen naar de twijfelachtige aanwijzingen die zich onder mijn ogen, als vette papiertjes aan de prikstok van een straatveger, opstapelden, leek het wel alsof die koorts nu etter aan het vormen was.        143
In dat vuile, slaperige politiebureau, in dat stuk afbraak van een stad die daar gemummificeerd en verbrand binnen haar bouwvallige onbeweeglijkheid lag, leken die mensen wel op een scheur van duisternis die midden overdag een beetje te zien kwam, juist zoals de verrotte nachtmerrie van die eeuwenlange slaap, die nu ineens naar buiten barstte, die zich voor ons oog verhief, die de treden kwam afgedaald.            145
In het halfduister dat als fijne as uit de rossige gloed van die korte dagen omlaag viel meende ik, met de krachteloze ledematen en een verdrietig hart, op mijn naakte huid iets als een koude luchtstroom te voelen.        153
Dat onrustig bezig zijn hield me op de been of liever drijvende, zoals een zwemmer door zijn zwembewegingen blijft drijven.       172
De woorden die uit haar mond vloeiden kwamen me voor als waren ze een voor een door mijzelf uitgesproken, en toch deden ze woede en afkeer in me opkomen; de schaamteloosheid van Vanessa kwam als een brutale hand, door die woorden heen, op mij te liggen en verhardde in mij die grofheid welke tenslotte als een hagelbui in tederheid op haar neerkwam.         231
Vooral de vrouwen gaven er zonder reserve aan toe; als ik de schittering van hun magnetisch aan de draad van mijn verhaal verbonden ogen volgde, en de wrok tegen me die in de ogen van de mannen te lezen was, begreep ik dat er in een vrouw een grotere reserve aan emotie en onstuimigheid voorhanden is, waaraan het gewone leven geen uitweg biedt en die alleen losgemaakt wordt door diepgaande veranderingen die een ommekeer in de harten veroorzaken die, om echt ter wereld te komen, lang in de blinde warmte van een kraamvrouw te moeten baden.           269
………, iedereen beschouwde en gedroeg zich min of meer instinctief als erfgenaam daarvan (=het verleden) , verpletterd als een ieder was door het bijna materieel ondervonden gewicht van een reeks eeuwen gewijd aan de opeenhoping van een onvergelijkelijke hoeveelheid rijkdommen en ervaring.        270
‘U bent het dus….” zei een stem waarvan de charme uit een niet onder woorden te brengen losheid bestond, alsof de lettergrepen duidelijk en nieuw, gezuiverd en een voor een in een doorschijnende vloeistof gedompeld het oor bereikten.      284
Ik ben twintig jaar lang de man van de boeken geweest; welnu! ik begreep tot in details alles over de loop der geschiedenis: de samenhang, de noodzaak, het mechanisme van de zaken, alles, behalve één ding dat het grote geheim vormt – het kinderachtige geheim – waarvoor je zelf daadwerkelijk mee moet hebben gedaan, en dat is het gemak – het ontstellende gemak waarmee de dingen gebeuren.     290
De geluiden, ver weg, van het nu verlaten paleis waren sinds lang opgehouden; het nu hoorbaar geworden tikken van een klok krabde telkens als de pootjes van een insekt licht tegen de gladde stilte.          292
gracq_-_copyright_droschl_jos__corti
Advertenties

From → literatuur

Geef een reactie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: