Skip to content

Marcel Proust 2 – In de schaduw van de bloeiende meisjes – 1918

29/08/2014

prou_2

Bij Marcel Proust (1871-1922) zit het avontuur eerder in de zinnen dan in het verhaal. Meestal beginnen ze zomaar ergens en heb je geen flauw idee waar ze gaan eindigen. Iedere potentiële verhaalontwikkeling wordt onverwacht afgebroken of maakt een doorstart naar een volgende handeling. Het maakt dan ook niet uit waar je in zijn boeken begint. Het verhaal is de kapstok voor de observaties. Maar toch valt er ondanks al de schoonheid bij iedere leesbeurt van het boek een drempeltje te nemen. Gelukkig verdwijnt alle vrees meteen als de sprankelende geest van de verteller zich openbaart en zich over je ontfermt. Ik neem me voor om ieder jaar een oorspronkelijk boek van de cyclus te herlezen. Alleen door de verplichting om mijn mooiste literaire ervaring ooit te herijken komt het er ook werkelijk van. Een hogere drempel volgt daarop als de leeservaring wordt omgezet in een blog. De vele ontknopingszinnen die ik op mijn bladwijzer noteer lijken een onoverkomelijk obstakel. Maar ook die zorg wordt een genoegen als je de onnavolgbare zinnen regel na regel overtypt. Ze zijn een noodzaak in mijn blog omdat voor mij die observaties de essentie van Marcel Proust zijn. Vooral in de eindeloze en kronkelende zinnen toont hij ware en onderscheidende  grootheid.

In de schaduw van de bloeiende meisjes is boek 2 van de cyclus Op zoek naar de Verloren tijd. Het is de mooiste boektitel die ik ooit ben tegengekomen. (in competitie met “De ondraaglijke lichtheid van het bestaan” en “A heartbreaking work of staggering genius”)  In het Frans gaat hij zeker winnen: A l’ombre des jeunes filles en fleurs. De roman is in Frankrijk  in 1918 als één boek met twee hoofdstukken uitgegeven. De Bezige Bij heeft het echter in drie delen vertaald.  In 1971 werd hoofdstuk 1 als deel 1 vertaald door C.N. Lijsen. Pas 5 jaar later kwam in 1976 deel 2 dat het grootste deel van hoofdstuk 2 omvat. Deel 3 bevat de rest van hoofdstuk 2. Zijn vertaalwerk is toen overgenomen door Thérèse Cornips die na 2  jaar hoofdstuk 2 afmaakte in deel 3. Het is dus niet zo vreemd dat Proust een schrijver is voor trage lezers. De Bezige Bij heeft ze zelf gecreëerd door 7 jaar over de uitgave te doen van totaal 550 pagina’s van de Bloeiende Meisjes. Toen Cornips met de cyclus klaar was heeft zij in 2009 de eerste delen opnieuw vertaald zodat nu de hele Verloren tijd van haar is.

Een van de weinige voordelen van het opknippen van de originele delen zijn de handzame paperbacks met unieke kaftafbeeldingen van Wout Muller (1946-2000). Door zijn prachtige illustraties is het een van de weinige keren dat een paperback beter leest dan de gebonden uitgave. Voor de lezers van het eerste uur was er echter nooit een keuze. De gebonden uitgaven van de originele delen kwamen pas na voltooiing van de gehele cyclus. De paperbacks en de gebonden delen zijn jammer genoeg alleen nog maar tweedehands leverbaar.

Scan.BMP

 

Deel 1 – Hoofdstuk 1 – Rondom mevrouw Swann

Het hoofdpersonage Marcel is 14/15 jaar en heeft een zwak gestel. Hij woont bij zijn ouders in Parijs en de diplomaat markies de Norpois komt bij de familie eten. Hij is terloops van mening dat het societyfiguur Charles Swann (zie boek 1- Een liefde van Swann) zijn milieu heeft aangepast aan dat van zijn vrouw Odette. Zij was zijn maîtresse en heeft hem met haar dochter Gilberte  tot een huwelijk gechanteerd. Norpois is erg onder de indruk van de grote actrice Berma. Marcel bezoekt haar maar is hevig teleurgesteld omdat zijn fantasie niet overeenkomt met haar ingetogen acteerprestaties. Het is een terugkerend thema dat Marcels denkwereld mooier is dan de werkelijkheid.

Gilberte Swann is het meisje dat Marcel in Combray in de tuin voor haar huis zag. Hij wordt op slag van afstand verliefd. Hij bezoekt de familie Swann en wordt speelkameraadje van Gilberte. Ze gaan naar de Champs Elysées waar Marcel de kans krijgt om met haar moeder Odette te pronken. Hij wordt opgenomen in haar salon en betreedt zo zijn eerste society kring. Tijdens een lunch ontmoet hij daar de door hem als genie bewonderde  schrijver Bergotte  en opnieuw ondergaat hij de teleurstelling die op een hooggestemde verwachting volgt (136).

Nu zijn vriendschap met Gilberte zeker is verliest hij zijn interesse in haar. Gilberte wordt wispelturig  en ze gaan elkaar ontlopen. Door een klein voorval wil hij zijn trots te bewaren en gaat haar ontlopen. Hij hoopt dat hij daardoor de liefde voor hem weer kan aanwakkeren. Hij blijft wel de salon van Odette bezoeken en ontmoet daar Mevrouw Verdurin die als een salon in haar stoel zit:

In ieder geval waren de vriendinnen van mevrouw Swann erg onder indruk wanneer ze bij haar een vrouw (= Verdurin) aantroffen die ze zich gewoonlijk alleen in haar eigen salon konden voorstellen, omringd door een onafscheidelijke kring van trouwe gasten, een kleine groep, die men nu vol verbazing voor zijn geestesoog zag samengevat, in een enkele fauteuil, in de gedaante van de meesteres, nu zelf bezoekster geworden, warm ingestopt in een met elegant zwanendons afgezette mantel, even donzig als de witte bekleding van de salon, in het midden waarvan mevrouw Verdurin zelf een salon was.    194

Botticelli was de inspiratie voor Odette Swann

Botticelli was de inspiratie voor Odette Swann

Marcel bezoekt met zijn vriend Albert Bloch een bordeel waar zijn oog valt op Rachel (die in boek 3 de latere maîtresse van Saint Loup wordt). Als hij Gilberte met een andere man ziet lopen slijt zijn liefde en ontmoet hij op afstand Albertine Simonet (190). Hoofdstuk 1 eindigt met een prachtig beeld van Odette met haar parasol in het park :

Glimlachend en blij met het mooie weer, met de zon die nog niet hinderlijk was, de zekerheid en de rust tentoonspreidend van de schepper, die zijn werk voltooid heeft en zich om de rest geen zorgen meer maakt, in de zekerheid dat haar toilet – mocht de gewone man het ook niet appreciëren – het elegantste van allemaal was, en zij droeg het voor zichzelf en voor haar vrienden, natuurlijk, zonder er overdreven aandacht aan te besteden, maar ook zonder er helemaal ongeïnteresseerd in te zijn; zij liet de strikjes op haar blouse en haar rok lichtjes voor zich uit wapperen als schepsels wier aanwezigheid zij wel waarnam maar die zij in alle toegeeflijkheid toestond zich volgens hun eigen ritme aan hun spel over te geven mits zij haar tempo maar volgden, en af en toe liet zij haar blik als op een boeket viooltjes van Parma, op de mauvekleurige parasol vallen die vaak nog dicht was als zij er aan kwam, haar blik die zo lief en zacht was dat hij, zelfs als hij zich niet op haar vrienden, maar op een levenloos voorwerp richtte, nog scheen te glimlachen, zo schiep zij, of liever nam zij in beslag met haar toilet, een ruimte van elegantie om zich heen, een afstand die de mannen, waarmee mevrouw Swann heel kameraadschappelijk omging, respecteerden ……………………….  etc etc 232/233

Maar eigenlijk is het gehele boek een romanlange ontknopingszin. Je weet niet waar te beginnen en hoe te eindigen.

Want modes veranderen vooral omdat ze zelf uit de behoefte aan verandering zijn voorgekomen.       9

Maar de volmaakte wijze waarop meneer de Norpois zijn gezichtspieren in bedwang wist te houden, veroorloofde hem te luisteren zonder de indruk te wekken dat hij iets hoorde.        33   de optimale diplomaat.

En zij liet ons de eetkamer binnengaan die er even somber uitzag als het interieur van een door Rembrandt geschilderde Aziatische tempel en waar een architectonisch opgebouwde taart, even goedmoedig en vertrouwd als indrukwekkend, volkomen toevallig op de tafel scheen te tronen als op iedere andere willekeurige dag voor het geval Gilberte plotseling zin zou krijgen de chocolade kantelen er af te breken en de wallen met de steile lichtrode kanten neer te halen, die evenals de bastions van het paleis van koning Darius in de oven gebakken waren. Beter nog, om tot de vernietiging van dit Ninivése gebak over te gaan, raadpleegde Gilberte niet alleen haar eigen eetlust; zij informeerde ook naar die van mij, terwijl zij voor mij uit het instortende bouwwerk een geheel geglazuurde en naar oosterse smaak met scharlakenrode vruchten ingelegd paneel trok.          90 

Ik verwonderde me over de onmacht van de geest, van de overredingskracht en het hart, om de geringste verandering in een situatie teweeg te brengen of om ook maar een enkele van de moeilijkheden op te lossen die het leven zelf even later, zonder men precies weet hoe, spelenderwijs uit de weg ruimt.           93

O, dat weet ik allemaal niet hoor; is dat hoog, directeur van het kabinet? antwoordde Gilberte die nooit een gelegenheid voorbij liet gaan om haar onverschilligheid te demonstreren voor alles wat de ijdelheid van haar ouders voedsel gaf (zij kon overigens ook denken dat zo’n pracht relatie alleen maar nog meer aanzien kon krijgen, wanneer zij er zo weinig waarde aan scheen te hechten).        95/96

Maar de grote meesterwerken (=van de kunst) zijn minder misleidend dan het leven, omdat zij ons niet meteen in het begin het beste geven wat ze te bieden hebben.           116

Gilberte Swann

Gilberte Swann

Ik zei tegen mezelf met het gezonde verstand van de domme: ……    160

……..- doordat ze mij een staalkaart van alle mogelijkheden tot geluk voorlegden en het mij mogelijk maakten aan de schoonheid van de vrouwen dat element toe te voegen dat wij niet bedenken kunnen en dat meer is dan de samenvatting van alle vroegere schoonheden, een waarlijk hemels geschenk, het enige dat wij niet van onszelf kunnen ontvangen en waartegenover alle logische constructies van ons verstand in het niet verdwijnen en dat wij alleen  van de realiteit kunnen verwachten: de individuele charme – ……………….     166

Als ik minder vastbesloten was geweest om aan het werk te gaan, zou ik misschien een poging hebben ondernomen om dadelijk te beginnen. Maar omdat mijn besluit vaststond en binnen vierentwintig uur, in de lege omlijsting van de volgende dag waar ik alles zo goed kwijt kon omdat het nog niet zover was, mijn goede voornemens zich makkelijk zouden realiseren, was het beter om niet een avond waarop ik minder goed in de stemming was voor een begin uit te kiezen waarvoor de volgende dagen zich, helaas! ook niet veel gunstiger zouden tonen.       170

Wat zo gelukkig maakt is de aanwezigheid van een element van onzekerheid in het hart, een element dat men voortdurend in evenwicht tracht te houden en dat men nauwelijks nog waarneemt, zolang het zich maar niet verplaatst.         172

Wanneer men liefheeft is de liefde te groot om helemaal door ons te kunnen worden opgenomen; zij straalt uit naar de geliefde persoon, stuit bij haar op een oppervlak waar zij niet verder kan, zodat zij gedwongen is naar haar uitgangspunt terug te keren en in deze terugkaatsing van onze eigen tedere gevoelens denken wij dan de gevoelens van de ander te herkennen, en deze beweging bekoort ons meer op de terug- dan op de heenweg omdat wij nu niet meer weten dat zij van ons zelf komt.         202

De tijd waarover wij elke dag beschikken is elastisch; de hartstochten die ons beheersen doen hem uitdijen, maar degenen die wij anderen inboezemen laten hem inkrimpen, en de gewoonte vult hem geheel op.           205

Mijn woorden zouden Gilberte slechts in scheef getrokken vorm hebben bereikt, alsof ze door het bewegende gordijn van een waterval heen moesten om bij mijn vriendin te komen, onherkenbaar, met een vreemde klank en van elke betekenis ontdaan. De waarheid, die men in woorden legt, baant zich niet rechtstreeks een weg en is niet voorzien van een onaanvechtbare duidelijkheid. Er is enige tijd voor nodig voordat een waarheid van dezelfde orde zich in anderen kan vormen.     206

 

 

Scan-002.BMP

 

Deel 2 – Hoofdstuk 2 – Plaatsnamen: de plaats. 
Proust had dit hoofdstuk beter In de schaduw van Oma kunnen noemen. De 17/18 jarige Marcel vertrekt 2 jaar na deel 1 met zijn Oma voor een zomervakantie naar Balbec (=Cabourg) in Normandië. Het zeeleven wordt voor zijn gezondheid aangeraden. Na een lange treinreis nemen ze hun intrek in het Grand-Hôtel waar hij overdag regelmatig het bed moet houden. Zoals altijd heeft de overgevoelige Marcel moeite om te wennen aan zijn vreemde kamer. Vanuit het raam wordt hij betoverd door de steeds veranderende zeebeelden waarin hij stemmige waterschilderijen van Whistler ziet. We krijgen een gedetailleerd beeld van het aristocratische vakantieleven aan het eind van de 19de eeuw. Men neemt de eigen bedienden mee en sommigen laten zelfs hun gordijnen in het hotel ophangen.

Cabourg.98

Grand-Hôtel in Cabourg

Marcel stijgt in het aanzien door zijn omgang met de markiezin de Villeparisis.  Zij is een Guermantes en was een schoolvriendin van zijn oma. Tijdens de tochtjes met haar het rijtuig langs de kerken van de streek wordt de romantische Marcel verliefd op ieder boerenmeisje waar zijn oog op valt. Ook op Mlle de Stermaria die met haar vader in het Grand-Hôtel logeert. De liefde blijft denkbeeldig omdat het niet lukt contact met haar maken.

De neef van de Markiezin komt langs en Robert de Saint-Loup-en Bray is in eerste instantie zeer gereserveerd en aristocratisch. Die hautaine houding blijkt aangeleerd want in werkelijkheid is hij socialist en liefhebber van moderne kunst. Zijn oom Baron Charlus is nog arroganter want hij kijkt niemand tijdens het gesprek aan. Beide personages behoren tot de Guermantes familie en zullen uitgroeien tot hoofdfiguren van de Verloren Tijd.
Marcel wordt voor het diner uitgenodigd door Robert Bloch en maakt door zijn vriendelijke vader Salomon Bloch kennis met de Joodse cultuur.
Tijdens een wandelingetje ziet hij voor het eerst de groep van 6 vriendinnen baldadig over het strand rennen:

Tussen al deze mensen liepen de meisjes die ik had zien aankomen, met de beheersing van gebaren die door een volkomen soepelheid van het eigen lichaam en een oprechte minachting jegens de mensheid wordt verkregen, zonder enig aarzelen of stijfheid rechtdoor, precies de bewegingen makend die ze wilden maken, waarbij al hun ledematen volkomen onafhankelijk van elkaar waren en met die onbeweeglijkheid van de grootste lichaamspartij die zo karakteristiek is voor goede danseressen.
Etc, etc etc. Van pagina 168 tot 178 worden de beelden, gedachten en dromen van Marcel breed uitgemeten.  Slechts één naam kan hij opvangen, die van Albertine Simonet.

Ons Nederlandse deel 2 eindigt met een diner in Rivebelle met oma en Saint Loup waarbij Marcel dronken wordt:

Hoe zou ik aan een de gemeenschappelijke afkomst van 2 namen kunnen geloven, waarvan de ene door de lage onbetamelijke deur van de ervaring en de andere door de gouden poort van de verbeelding tot mij gekomen was.        68

Inderdaad was zij (=mevr. de Villeparisis) op zulke momenten niet helemaal natuurlijk, zij was zich bewust van haar opvoeding, de aristocratische manieren waarmee een grote dame burgerlijke mensen moet tonen dat zij heel aardig in hun gezelschap is en dat zij volstrekt niet op hen neerkijkt.       96   

Zijn woorden (=van Saint Loup) wekten een zekere treurigheid in me op, en ik was in verlegenheid hoe ik ze beantwoorden moest, want noch het samenzijn met hem noch onze gesprekken – en waarschijnlijk zou het met ieder ander net zo zijn geweest – bezorgden mij ook maar iets van het geluk dat ik wel ondervond wanneer ik zonder metgezel was.          110

……; ik zei bij mezelf dat ik een goede vriend had, dat een goede vriend een zeldzaamheid was, maar ik voelde in mij, door moeilijk te verwerven weldaden omgeven, juist het tegendeel van het geluk dat bij mijn wezen paste, het geluk om uit mijzelf iets naar boven en naar het licht te halen, wat in het halfdonker verborgen had gelegen.        110

…… die angst om te gedienstig te lijken die hem (=Saint Loup) inderdaad volkomen onbekend was, en die bij gewone mensen de meest oprechte vriendelijkheid door een plompe onbeholpenheid lelijk maakt.     111

Grand-hotel_Cabourg-terrasse_fete-enfants

Het terras van het Grand Hôtel van Cabourg

Het is bij de mensen zo dat het veel voorkomen van bij allen gelijke deugden niet merkwaardiger is dan de veelsoortigheid van de fouten bij elk individu afzonderlijk. Het gezonde verstand is zeker niet de ‘meest verbreide zaak ter wereld’, dat is de goedheid. In de meest afgelegen, meest verscholen hoekjes ziet men haar met verbazing vanzelf opbloeien zoals in een ver verwijderd dal een klaproos die er precies hetzelfde uitziet als alle andere die hij nooit gezien heeft, daar hij niets anders kent dan de wind die nu en dan zijn eenzame rode kapje doet beven.  Zelfs als deze goedheid , door eigenbelang lamgelegd, niet in de praktijk wordt gebracht, bestaat zij toch, en telkens, als er geen egoïstische beweegreden in de weg staat, bij voorbeeld bij het lezen van een roman of een krant, ontluikt zij, en wendt zij zich, zelfs in het hart van diegene die, in het werkelijke leven een moordenaar, in zijn hoedanigheid als lezer van feuilletonromans teergevoelig is, naar de zwakken, rechtvaardigen en vervolgden toe.        115

Maar dit gezicht waaraan een dun laagje poeder iets toneelachtigs gaf, bleek niet zo hermetisch gesloten als meneer de Charlus graag gewild had,  want zijn ogen waren als een spleet in een muur, schietgaten, het enige wat hij niet had kunnen dichtmetselen en waardoor men, al naar gelang de plaats waar men ten opzichte van hem stond, plotseling in het stralingsveld van een of ander in het inwendige verborgen mechanisme geraakte dat niet pluis scheen, …… 137

“Maar het komt er in het leven niet op aan wát men liefheeft”, verklaarde hij (=baron de Charlus) op een bijna snauwende toon die geen tegenspraak duldde, “alleen dát men liefheeft”.      140

“Trouwens, jongeheer, het is altijd dwaas om gevoelens belachelijk of laakbaar te vinden die je zelf niet zo ondergaat.”          143

En daarom gaf heel haar leven mij een groot verlangen in, een smartelijk verlangen omdat ik het als onvervulbaar maar als zeer verleidelijk voelde, omdat dat wat tot nu toe mijn leven geweest was plotseling opgehouden had mijn gehele leven te zijn, en alleen nog maar een klein gedeelte was van de ruimte die vóór mij lag, die ik hunkerde te betreden, en die uit het leven van deze meisjes bestond en mij de voortzetting en misschien zelfs die vermeerdering van het eigen ik beloofde, die wij geluk noemen.                    174

 

Scan-001.BMP

Deel 3 – Vervolg van hoofdstuk 2 – Plaatsnamen: de plaats.

Marcel wil de identiteit van de meisjes te achterhalen en doet tevergeefs zijn best om ze overal te ontmoeten. Tijdens een diner wordt hij door de markiezin de Villeparisis aan de schilder Elstir (=Whistler) voorgesteld. Hij bezoekt zijn atelier en vindt daar een vroeg portret van Odette Swann uit haar cocotte dagen voor ze Charles Swann ontmoette. Albertine verschijnt voor het raam en blijkt Elstir’s buurmeisje te zijn. Ze praten over de schilderijen en het werk van de kunstenaar. Bij een volgende afspraak is Albertine pinnig en ad rem en wil de andere meisjes niet voorstellen. Marcel ontmoet ze toch en wordt steeds op de volgende verliefd. Ze bezoeken samen met Elstir de regatta’s en paardenrennen in de omgeving. Hij leert ze met behulp van zijn schilderijen kijken naar de wereld en opent hun ogen voor de zomerpracht.
Albertine en haar vriendinnen zijn iedere dag anders en daardoor wordt ook Marcel iedere dag een ander persoon. Andrée is het lange meisje, ze is ziekig en intelligent en lijkt teveel op Marcel om zijn liefde aan te wakkeren. Juist door de wispelturigheid en onbereikbaarheid van Albertine wordt Marcel verliefd op haar. Maar geheel in de lijn met zijn filosofie doet hij vervolgens zijn best om haar te ontlopen. Zij nodigt hem uit op haar kamer in het hotel en is gechoqueerd als hij haar probeert te kussen. Marcel druipt af en wordt meteen verliefd op een van de andere meisjes.  Na 3 maanden is de vakantie voorbij en vertrekken de gasten. Marcel en zijn oma zijn bij de laatsten en aanschouwen de ongeduldige Maïtre de Hotel die hun bijna de deur uit kijkt. Vervolgens sluit hij het hotel tot de volgende zomer.
En opnieuw eindigt Proust met een onnavolgbare laatste zin:
En terwijl Françoise de spelden wegnam aan de bovenlichten, de lappen stof losmaakte, de gordijnen opentrok, leek de zomerdag die zij zichtbaar maakte zo gestorven, zo oeroud, als een prachtige, duizendjarige mummie, die onze getrouwe dienstbode doende was met omzichtigheid uit al haar windselen te ontzwachtelen, alvorens haar te vertonen, gebalsemd in haar gouden kleed.      172

14_Cabourg.99

Maar er is meer, heel veel meer bij elkaar te sprokkelen.

Alles wat hij (=Elstir) bezat, ideeën, werk en de rest die hij heel wat minder telde, zou hij met vreugde hebben gegeven aan iemand die hem begreep. Maar bij gebrek aan een draaglijk milieu leefde hij in een isolement, met een schuwheid die de beau monde aanstellerij en onopgevoedheid, de overheid kwaadwilligheid, de buren krankzinnigheid, en zijn familie egoïsme en hoogmoed noemden.          13

Maar om die treurigheid, dat gevoel van iets onherstelbaars, die angsten los te maken die de weg bereiden tot liefde, moet er – en misschien is dat, veeleer dan de persoon zelf, het voorwerp van hartstocht dat zo vurig omhelsd wil zijn – het risico inzitten van onmogelijkheid.        18

Ik had vroeger, op de Champs-Elysées, vaag beseft, en had me er sindsdien beter rekenschap van gegeven, dat je met verliefd te zijn op een vrouw alleen maar een gevoelstoestand in haar projecteert; dat daarom niet de betekenis van de vrouw van belang is, maar de intensiteit van die toestand; en dat de emoties die een middelmatig meisje je geeft je in staat kunnen stellen om dieper verborgen, persoonlijkere, ongrijpbaardere, essentiële kanten van jezelf tot je bewustzijn te laten doordringen dan het genoegen doet dat de conversatie van een superieur mens je geeft of zelfs het open aanschouwen van zijn werk.         19/20

En het atelier van Elstir (=schilder) kwam me voor als het laboratorium van een nieuw soort wereldschepping, waar hij uit de chaos aller dingen die je ziet, door ze te schilderen op diverse rechthoekige stukken doek die aan alle kanten waren neergezet, hier bijvoorbeeld een golf van de in drift zijn lila schuim op het strand ter pletter slaande zee tevoorschijn had gehaald, en dáár een in wit linnen gestoken, over de reling van een schip leunende jongeman.        20

Naarmate ik nader met het meisje kennis maakte ging die kennis in zijn werk als een aftelling, waarbij elk partje fantasie en verlangen plaatsmaakte voor een notie die oneindig veel minder inhield, notie waaraan weliswaar werd toegevoegd een soort equivalent, op het gebied van het leven, van wat handelsbanken je bij een reorganisatie na terugbetaling van het oorspronkelijke aandeel geven en wat ze een winstbewijs noemen.       70

Want hij kon nooit ‘zitten niksen’, zonder overigens ooit iets uit te voeren. En omdat volstrekte ledigheid op de duur dezelfde uitwerking heeft als buitensporig hard werken, of het nu op geestelijk terrein of op dat van lichaam en spieren, had de constante leeghoofdigheid die achter Octave’s peinzende blik schuilging hem op de lange duur, zijn kalme uiterlijk ten spijt, malende, nergens toe leidende gedachtekronkels bezorgd die hem ’s nachts uit de slaap hielden op dezelfde manier als dat een overspannen metafysicus kan overkomen.        77

Ik had tegen haar gepraat met net zo weinig besef waar mijn woorden terechtkwamen, wat er van ze werd, als je van steentjes weet die je in een bodemloze afgrond gooit.          80

En waar de hoop van genietingen die ik bij een nieuw meisje zou vinden van een ander meisje stammen, door wie ik haar had leren kennen, had de meest recente iets van een variëteit, als van een roos, verkregen dankzij een andere roos. En van bloemkroon tot bloemkroon in die bloeiende keten maakte mijn genoegen om weer een andere te leren kennen dat ik terug ging naar degene aan wie ik haar had te danken met een erkentenis waarin dezelfde begeerte zat als in mijn nieuwe verwachting.  Al spoedig bracht ik al mijn dagen met de meisjes door.        92

meisjes

….; het morgenrood van de jeugd dat nog over het gezicht van de meisjes lag, en waar ik, hoe jong ook, al buiten viel, bescheen alles om hen heen en maakt dat ook hun onbeduidendste bezigheden als in de ijle schilderkunst van sommige Primitieven op een gouden ondergrond stonden afgetekend. Voor het merendeel gingen de gezichten zelf van de meisjes op in dat wazig roze ochtendgloren waar hun eigenlijke trekken nog niet uit tevoorschijn kwamen. Je zag alleen die ene betoverende kleur waaronder wat over enkele jaren een profiel zou zijn niet was te onderscheiden.     109

Het is of het allemaal poppetjes zijn die beurtelings jeugdige vrolijkheid, jeugdige ernst aanhaligheid, verbazing voorstellen, geboetseerd met een ongedwongen, gave, maar vluchtige expressie.       110

Zeker kunnen de attenties van een vrouw van wie je houdt, nog vele nieuwe verrukkingen geven aan de uren die je met haar doorbrengt. Maar zij is niet telkens een andere vrouw voor je. Haar vrolijkheid staat los van een onveranderlijk uiterlijk. Maar jeugd is van vóór dat algehele stollen, vandaar dat je in gezelschap van jonge meisjes die verkwikking voelt die de aanblik van voortdurend aan verandering onderhevige vormen je geeft, dat bezige spel van onbestendige contrasten dat aan het eeuwige herscheppende doet denken van de oerelementen dat je aan zee ziet.         111

Het menselijk gezicht is waarlijk dat van de God van een oosterse theogonie, een hele tros van gezichten naast en op elkaar in verschillende vlakken, die je niet tegelijk ziet.           124

 

Voor Proust 1 zie: https://erikgveld.wordpress.com/2013/03/04/marcel-proust-1-de-kant-van-swann-1913/

 

 

 

 

 

 

 

 

Advertisements

From → literatuur

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: