Skip to content

Mircea Cartarescu – De trofee – 2002

26/03/2015

Ik weet niet wat ik op de volgende bladzijde ga schrijven. Dat heb ik nooit geweten, zoals ik nooit met mijn geestesoog de gelige omtrekken van de dag van morgen heb kunnen zien. Ik weet niet of ik in het vervolg van deze bladzijde (van dit woord, van deze letter, of na het sluiten van dit haakje) een overweldigende visie of een belachelijke stopzinnigheid deelachtig zal worden, of ik de rest van dit schrift blanco zal laten, of ik het manuscript, de kamer, het flatgebouw niet in brand zal steken, of ik een beroerte of een hartaanval zal krijgen. Ik weet niet of een aardbeving mijn lichaam tussen beton en ijzer zal vermorzelen en mijn hersenen en bloed met het manuscript zal vermengen. Op ieder moment kan de hechte verzameling van tienduizend dingen die zeepbelachtige bovenlaag van de wereld doorboort, plotseling eindigen, als het platte achterdek van een schip, zonder achtersteven, roer, schroef en kielzog.  etc etc etc (pag. 568)

Ik schrijf geen boek maar breng een embryo groot in de naargeestige baarmoeder van mijn hersenpan, van mijn kamer en mijn wereld.    (pag. 21)

Een boek was per slot van rekening een zeef, een selektiemechanisme, een opeenvolging van steeds moeilijker tests en beproevingen, zodat de grote massa van lezers die was doorgedrongen tot de eerste zaal onderweg het spoor bijster zouden raken, zou worden gehalveerd, zo mogelijk, na de eerste tien pagina’s, zodat er na de eerste honderd pagina’s slechts een tiende van hen zou overblijven. Vanaf dat punt zouden de tunnels zich nog verder vernauwen, de valstrikken en hinderlagen zouden in aantal toenemen, monsterlijke wezens zouden spraakvermogen krijgen en dingen zeggen die weinigen tot zich konden nemen, en in geen geval de melkmuilen en de papkindjes. En tegen het einde zouden de beproevingen onmenselijk worden, de vereisten absurd, en zou men volledig gestript en gevild worden, ontdaan van taal, van waarden, zelfs van het beeld van de kosmos dat wij allemaal bij onze geboorte op onze borst , rug en schouders gestempeld hebben gekregen. etc, etc, etc     (pag. 209)

 

mircea-cartarescu.jzq3bxnku6

Een kleine 4 jaar na deel 1 lees ik het middelste deel van de trilogie Orbitor (Oogverblindend) van de Roemeen Mircea Cartarescu (1956). De Trofee staat al 2,5 jaar in mijn kast en nu met het verwachtingsvolle begin van 2015 waag ik het erop. Je kunt Cartarescu alleen maar lezen met volledige overgave aan zijn tekst. Dat betekent voldoende ruimte en ontspanning gecombineerd met geen enkele verwachting. Cartarescu is opnieuw niet geslaagd in zijn voornemen om een onleesbaar boek te schrijven. Maar hij heeft natuurlijk ook wel door dat juist zijn voornemen onleesbaar te zijn het boek weer leesbaar maakt.
We ondergaan het ultieme schrijfavontuur en zijn totaal overgeleverd aan de nukken van de schrijver. Hij doet geen enkele poging om zich aan te passen aan zijn lezer. Als de almachtige schepper zit hij aan zijn bureau en volgt zijn gedachtestroom zonder enige ordening in verhaal of samenhang. Uit ieder detail kan zich onverwacht een nieuwe wereld ontvouwen. We buitelen van observatie naar gedachte en herinnering en gaan terug naar de toekomst of kijken vooruit naar het verleden. Heel knap hoe hij daarmee wegkomt en hij ons leidt door de krochten van zijn geest. Ook heel knap hoe hij het het volhoudt en zichzelf kan bijhouden. Zijn manier van schrijven is een gevaarlijk bezigheid en betreedt de wereld van de maniakaal bezetenen die tegelijkertijd gek en geniaal zijn. Voor de lezer is het al een indringende ervaring om in andermans geest te graven. De schrijver gaat aanmerkelijk dieper omdat hij uit zichzelf put.

De Trofee is met zijn 573 pagina’s bijna 100 pagina’s dikker dan deel 1  De Wetenden. De vertaler zal wel zijn redenen hebben om de Roemeense titel Corpul (lichaam) te vertalen met De Trofee. Jan Willem Bos kreeg een werkbeurs van het Nederlands Letterenfonds en subsidie van het Roemeens Cultureel Instituut te Boekarest. Het is hem gegund want het moet een duivels karwei geweest zijn.

Cartarescu_De-Trofee_preview

 

De Trofee lijkt een persoonlijk document waarbij de kindertijd van Mircisor en het schrijverschap van Mircea het raamwerk zijn waar Cartarescu zijn gedachtestroom aan ophangt. Door het ontbreken van een integrale verhaalontwikkeling is het geen bildungsroman of coming of age verhaal geworden. Het is een ode aan het schrijverschap, de fantasie, de kindertijd en zijn moeder. Prachtig hoe hij haar gezicht op pag. 192/193 nauwkeurig beschrijft.

Ik kon echter alleen maar naar het gezicht van mijn moeder kijken, alsof het in zacht, kastanjebruin haar gevatte ovaal het betoverende tapijt was, de samengebalde mandala van mijn leven.  Op het met minuscule, doorzichtige draadjes, met poriën en mee-eters bedekte huidoppervalk zocht ik naar iedere plooi, iedere rimpel, iedere topologische verandering, ieder Marskanaal dat een teken van leven zou kunnen zijn, ik bestudeerde de haartjes op de drie spieren van haar wenkbrauwen, de vochtige plooien van haar oogleden, de gelige neerslag op haar hoornvliezen, de rode spiertjes, als de pootjes van een schelpdier, in haar ooghoeken. Ik verwonderde me hoe iedere wimper bleker was aan de wortel en glanzend zwart werd aan de punt, zo scherp als een kromzwaard. Ik onderscheidde iedere vezel in de gepigmenteerde spieren van haar reusachtige, glazig blauwe irissen, met vlees als van een grapefruit en ik huiverde telkens wanneer die zich samentrokken, zodat de pupil groter en zwarter werd, van een volkomen zwart, het zwart des doods. Ik probeerde de toekomst af te lezen aan de kristallen korstjes die zich boven de twee pupillen welfden en die de snel knipperende oogleden glinsterend zwart hielden. Tussen de ogen daalde het smalle, rechte lemmet van haar neus af, met een kleine zwelling naast een van de neusgaten. Haar wangen waren week, met een een slappe huid, en werden eerder omlaag getrokken door een teleurstelling die ik nog niet kon bevatten dan door de zwaartekracht. Het fletse en frisse gezicht, waarin alleen de mond, altijd bedekt met de meest platvloerse, goedkoopste lippenstift als maar kon, glimlachte.      

Net als in deel 1 begint het verhaal bij de jonge Mircisor die op de vensterbank van zijn slaapkamer zit en uitkijkt over het communistische Boekarest. Die eerste hoofdstukken lijken wel een firewall waar de oningewijde wordt geweerd. De lezer wordt niet gespaard en krijgt heel langzaam vaste grond onder zijn voeten. We maken kennis met de schrijver Mircea die woont in een kamer in de dakopbouw van een 10 verdiepingen hoge torenflat. De huizen in de omgeving worden gesloopt en hij maakt ontdekkingstochten door de verlaten buurt. Net zoals even later de 6 jarige Mircisor al spelend met de buurkinderen zijn wereld rond het flatgebouw ontdekt en uitbreidt. Zijn vader werkt overdag als journalist en het kind heeft de 2 kamerflat alleen met zijn moeder. Zij is zijn wereld en vertelt de hele dag ontroerende alledaagsheden tijdens het uitvoeren van haar huishoudelijk werk. Op zekere dag gaat zij tapijten knopen om bij te verdienen. Ze blijkt er talent voor te hebben en knoopt niet de verplichte patronen maar maakt haar eigen ontwerpen. De Securitas wordt ingelicht en zij wordt ondervraagd over haar geheime kennis. Haar laatste kleed is een kamer grote rode kubus die blijkt te leven. Mircisor en zijn moeder betreden hem en eindigen in een kathedraal waar een reusachtige vlinder zich ontpopt. De geheime dienst snijdt de kubus in horizontale plakken en ontdekken dat de afzonderlijke kleden prachtige afbeeldingen hebben. De laatste plak wordt nog dunner gesneden en blijkt een manuscript te zijn dat overeenkomt met het boek dat we lezen.

Aan één stuk door buitelen we van het ene naar het andere sterke verhaal. We gaan met Mircisor naar de basisschool en ondergaan de communistische indoctrinatie. Spelen rond de flat waar hij als een ontdekkingsreiziger een steeds groter gebied in kaart brengt.
Schakelen even terug naar de overgrootvader Vasili Badislav die alle vrouwen verliefd maakt. Hij doet als brandweerkapitein in 1879 mee aan een praalwagenoptocht en wordt ‘s middags meegenomen naar een huis waar de sekte van de Skoptsen rond een lange tafel zitten. Ze zijn de volgelingen van de profeet Selivanov die zichzelf ontmande. De kapitein wordt meegenomen naar een achterkamertje en doorleeft daar een wakende droom. De volgende dag wordt hij dood in zijn kamer gevonden.
Op de 8ste verdieping van de flat woont de dronkelap Herman. Hij wordt verliefd op de broze Soley en ze zitten iedere iedere avond op een bank voor haar huis. Als de moeder Soley binnenhaalt en hij weglopend omkijkt ziet hij dat het huis opstijgt en een diepe trechter in de tuin achterlaat. Eindelijk mag hij binnenkomen ziet hij hoe de moeder een reusachtige spin voert met een vlinder waarvan zij eerst de vleugels afsnijdt.
De dag daarop bezoekt het circus de stad en gaat Mircisor er met zijn ouders naar toe. Zijn tante is ook aanwezig en vertelt in ronkende en onsmakelijke details hoe de dwergin het sexspeeltje van de circuslui is. Mircisor wordt door de slangenmens uit het publiek gehaald en maakt een fantastische reis naar God. Op weg naar huis krijgen we een troosteloos beeld van een arm communistisch Roemenië met lange wachtrijen voor de winkels met eerste levensbehoeften. Bijna iedereen wordt door de Securitate in de gaten gehouden en opgepakt voor verhoor.

Tot slot gaan we terug in de tijd met tante Coca, de sexy zuster van de moeder. Zij bezoekt haar zus die met haar man Costel en de piepkleine Mircisor in de krottenwijk aan de rand van de stad woont. De tante rijdt met de tram terug en betreedt een Hollands herenhuis. Ze dwaalt door een onmetelijke ruimte die is gevuld met duizenden tandarts stoelen.
Direct daarop belanden we tussen de levende standbeelden van winters Amsterdam waar we de Braziliaanse muzikant Cedric (uit deel 1) ontmoeten. Hij is bevriend met Maarten die vertelt hoe hij als kind ’s winters naar een verafgelegen wilg schaatste en in de stam afdaalde naar een ondergrondse ijshal. Op de terugweg krijgt hij een groeispurt en schuilt ’s avonds in een verlaten molen. Zijn te kleine kleren vallen van zijn lijf en hij wordt ontmaagd door zijn vrouwelijk spiegelbeeld. De volgende ochtend schaatst hij door naar huis en verandert in een oude man.
In een tweede avontuur ontmoet Maarten een sektelid van de Wetenden. Zij spelen boekpersonages die op zoek zijn naar hun schrijver. Ze reizen met de trein naar Amsterdam. Nederland is een van water verzadigde vlakte waar de zon altijd door wolken is omgeven. Maarten komt via Cedric in contact met de prostitué (tante) Coca. Zij brengt hem naar een zolderverdieping waar het duivelskind Victor is. Hij blijkt de tweeling broer van Mircisor te zijn die bij haar bezoek door zijn tante is ontvoerd. De volgende ochtend verlaat Coca haar huis en wordt naar een rode voordeur geleid waarachter zich een gigantische zaal bevindt. Liggend vanuit een kristallen doodskist bekijkt ze het steeds veranderende plafondfresco tot een oude man haar door een gang naar een voorkamer van de hel leidt. Ze wordt bevestigd aan een tandartsstoel en gepenetreerd waarna ze bij de andere vlinders aan de wand wordt geprikt.

In een laatste paragraaf van het boek schrijft Cartarescu zijn betoog over het onleesbare boek waar ik mee ben begonnen. Hij komt dicht bij zijn voornemen en niet iedereen zal hem kunnen volgen. Alleen de avontuurlijke lezers zullen het einde halen en ook deel 3, dat dit jaar uitkomt, gaan lezen.

mircea-cartarescu1

Veel mooie zinnen die ik gretig aangrijp om mijn boodschap over te brengen. Want hoe moet je een leesbaar stuk schrijven over een onleesbare roman?

Omdat ik op ieder moment van mijn leven mijn gezicht naar haar had gewend en als de maan om haar heen cirkelde, vormde mijn moeder in feite de kern van mijn bestaan, de pit in de gecompliceerde vrucht van onze verstandhouding, ruw gegroefd als die van een abrikoos, die ik omvatte met het doorzichtige vlees van mijn handen, borst, dijen, wangen. Ik was uit haar gegroeid, maar nu was zij in mij, ik had me van binnenuit over haar uitgestort. Mama was nu het embryo in de buik met de uitstekende navel van mijn geest, ik keek naar haar vanuit alle richtingen tegelijk, altijd met mijn gezicht naar haar toe, altijd geboeid door haar, altijd smachtend van liefde voor en verlangen naar haar. Ik was altijd zwanger van mijn eigen moeder, en zij roerde zich soms, dromerig, in het vruchtwater van mijn slaap. Ze was groot als een standbeeld waarvan de sokkel van gepolijst chalcedon, aan het oog onttrokken door de wolken en verglaasd door het blauwe uitspansel, een kwart van de planeet in beslag nam.        39

Mijn manuscript, dat bestaat uit levende, over elkaar heen liggende, aan elkaar klevende, in elkaar overlopende membranen, is een getrouwe weergaven van de gelaagdheid van mijn hersenen, is de op een harde ondergrond van cellulose uitgespreide kaart van de vervlechting van neuronen waaruit de icoon van de wereld onder mijn schedeldak is gevormd. En over de laag van mijn manuscript, in een getrouwe weerspiegeling van iedere krul, punt en doorhaling, welft zich het grote sterrenmanuscript, de nevel van reusachtige, onderling verbonden neuronen onder het schedeldak van de godheid.           46

Waar wacht ik op? Welke onmogelijkheid te bekijken waanzin zal zich vormen en vervormen tegen de altijd rusteloze hemel van mijn geest, van mijn boek.       80

De principes van de geest zijn immers te ingewikkeld om door de geest te kunnen worden begrepen. Hij weet dat ze daar zijn, zoals wij weten dat we een geraamte hebben, hoewel we dat nooit zullen zien. maar de geest wíl zijn geraamte zien, want hij bestaat slechts dáárvoor, aangezien ons hele leven niets anders is dan de gruwelijke vivisectie van onze geest op zichzelf, vanuit de waanzinnige hoop zichzelf in zijn totaliteit te zullen begrijpen, en niet alleen in zijn totaliteit maar veel meer dan dat, want de revelatie van de totaliteit is niet iets van slechts een ogenblik, maar van een eeuwigheid, zodat begrip niets anders kan zijn dan voortdurende revelatie van de totale ruimte voor alle tijd.    121/122

Foto’s hebben me altijd angst aangejaagd, want ze lijken op fossielhoudende steenlagen die uit een droge rots steken en waarin van het dier dat onder ondraaglijke pijnen is ineengekrompen, verpletterd, versteend, met van wanhoop gespreide poten, nog een reeks geëmboste indrukken overblijven, een rib, een schedel, een dijbeenbot, verstrooide, onnatuurlijk verwrongen kootjes……..
Met die foto’s die aantonen dat je vroeger in een ander lichaam stak, dat je anders en iets anders bent geweest, dat de fotonen van een jongere zon zijn afgeketst tegen jouw tot aan de schouder ontblote armen, tegen dat kostuum met een egeltje op het borststuk en tegen die afgebladderde hoge schoenen, dat ze door het objectief van een fotocamera zijn gedrongen en zijn samengekomen op een emulsie, waardoor ze een maagdelijke film dankzij een afschuwelijke hekserij hebben besmeurd met een tijdsfragment.    131/132

Onze vertrouwde werkelijkheid vertoonde slechts vier dimensies, als vier brede opengevouwen bloemblaadjes, terwijl de overige zeven dimensies strak gewikkeld in een submicroscopische cocon bleven zitten en in hun plooien, die nooit het daglicht hadden aanschouwd, reusachtige brokken van ons verhaal bewaarden, want ieder haartje van ons had lengte, breedte en diepte en wapperde in de tijd, maar wikkelde tegelijkertijd zeven mystieke, nimmer onthulde en nimmer gekende bloemblaadjes in zichzelf samen.    325

Hij kon minutenlang kijken naar een van de honderden , een van de duizenden pluisjes op de top van één enkele plooi.  Hij verbeeldde zich dat zo’n pluisje daar op dat moment maar wat blij mee was. Eindelijk was er iemand die een beetje aandacht voor hem had, hij bestond voor iemand.      423

Desiderio, Monsu 2 

Herman, de dronkenlap van verdieping 8, heeft een groot schilderij van Monsu Desiderio op zijn kamer hangen. De bizarre en horrorachtige architectuurbeelden zijn kenmerkend voor de schrijfstijl van Cartarescu. Maar ook de vaagheid omtrent de kunstenaar zou zo door hem bedacht kunnen zijn. Tot midden 20ste eeuw dacht men met dat Monsu Desiderio een Napolitaanse schilder uit het begin 17de eeuw was. Monsu staat echter voor het Franse monsieur en bij de achternaam Desiderio worden nu minstens 3 schilders genoemd. Francois de Nomé (1593-1620) en Didier Barra (1590 – 1656) beiden afkomstig uit Metz maar schilderend in Napels. Daarbij voegt zich nog een derde onbekende kunstenaar. Het zijn macabere dreigende schilderijen vol ondergang en verderf. Heel goed mogelijk dat ze een inspiratie voor Giovanni  Battista Piranesi (1720–1778) zijn geweest.

Desiderio, Monsu 3

Desiderio, Monsu

 

Barra,_Didier_-_Landscape_with_Buildings

Nomé,_François_(Desiderio._Monsù)_-_Explosão_de_una_Catedral

 

Deel 1 – De wetenden was op 25/04/2011 een van mijn eerste blogs:
https://erikgveld.wordpress.com/2011/04/25/cartarescu/

 

Advertisements

From → kunst, literatuur

One Comment

Trackbacks & Pingbacks

  1. 3 vijftallen uit 2015 | Ontknoping

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: